Geschiedenis

Het Nederlands Bijbelgenootschap is op 29 juni 1814 in Amsterdam opgericht, op aandringen van de Engelsen. Zij hadden zelf al in 1804 hun bijbelgenootschap opgericht: the British and Foreign Bible Societies (BFBS).

In verschillende Europese landen waren al bijbelgenootschappen opgericht door het BFBS, dat zich tot doel had gesteld over de hele wereld de bijbelverspreiding te bevorderen. Maar pas na de val van Napoleon kon dat ook in Nederland. Overal in het land ontstonden plaatselijke bijbelgenootschappen, die vanaf 1815 samenwerkten in één Nederlands Bijbelgenootschap. Deze lokale genootschappen werden toen afdelingen genoemd.

Bijbelverspreiding

Het Nederlands Bijbelgenootschap kocht bijbels in bij de grote bijbeldrukkers die zich voor het uitgeven van de Bijbel hadden verenigd in de Bijbelcompagnie, en plaatste er drukopdrachten. Bijbels werden gratis verspreid onder de mensen die ze niet konden betalen. In 1847 besloot het Nederlands Bijbelgenootschap om ook zelf bijbels uit te geven. Het liet drukkers inschrijven en zo kwamen er goedkopere uitgaven. De bijbels werden niet alleen via de afdelingen verspreid, maar ook via de zogenaamde bijbelcolportageverenigingen.

Bijbels op de handkar

In 1890 stelde het Nederlands Bijbelgenootschap zelf twee colporteurs aan speciaal voor verspreiding op het platteland, waar bijbels lastig te krijgen waren. Zij bezochten afgelegen boerderijen met een handkar waarop bijbels waren uitgestald. Later gebeurde dat met paard en wagen en na de oorlog deed de vrachtauto zijn intrede. Met het Rijdend Bijbelhuis verspreidde het Nederlands Bijbelgenootschap decennialang bijbels. In 2002 werd deze vorm van colportage beëindigd. Sindsdien is men aangewezen op de boekhandel.

Bijbels voor Indië

Vrij spoedig na de oprichting richtte het NBG de blik op de verspreiding van bijbels in Indië. Allereerst werd de Maleise vertaling van M. Leijdecker herdrukt, die in de 18de eeuw gemaakt was. Daarna werd begonnen aan vertalingen in het Javaans en later in de andere Indonesische talen. Vanaf 1823 werden hiervoor in Nederland taalkundigen opgeleid. De eerste was J.F.C. Gericke, die in 1826 naar Java werd afgevaardigd. Zijn vertaling van de hele bijbel in het Javaans is uiteindelijk in 1854 verschenen.

De Bijbel vertalen wereldwijd

Later werden verschillende taalkundigen naar diverse landen uitgezonden, onder wie de bekende wetenschappers Matthes, Neubronner van der Tuuk, Adriani en Kraemer. Als resultaat van het werk van deze taalkundigen verschenen naast bijbelvertalingen ook woordenboeken, grammatica’s en taalkundige beschouwingen.
Na de oorlog ging het vertaalwerk voor het buitenland over in handen van de Wereldbond van Bijbelgenootschappen (UBS), die in 1946 was opgericht. Vertalingen worden nu door de inwoners zelf gemaakt, waarbij UBS-medewerkers optreden als adviseurs.

Meer lezen? Historie NBG