Zaterdag 25 februari: 1 Korintiërs 3:9(b)-23

9Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker.
U bent een bouwwerk van God. 10Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder erop letten hoe hij bouwt, 11want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf. 12Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, 13van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. 14Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. 15Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.
16Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? 17Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel bent u zelf. 18Laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. 19Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’ 20En er staat ook geschreven: ‘De Heer kent de gedachten van de wijzen; hij weet dat ze niet meer dan lucht zijn.’ 21Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van u; 22of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van u. 23Maar u bent van Christus en Christus is van God.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Elke dag de bijbeltekst ontvangen? Volg ons op Twitter

Vrijdag 24 februari: 1 Korintiërs 3:1-9(a)

[3]1Maar, broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. 2Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu nog niet, 3want u bent nog gebonden aan de wereld. Wanneer u afgunstig en verdeeld bent, dan bent u toch gebonden aan de wereld, dan leeft u toch als ieder ander? 4Wanneer de een zegt: ‘Ik ben van Paulus,’ en een ander: ‘Ik van Apollos,’ bent u dan niet als alle andere mensen?
5Wat is Apollos eigenlijk? En wat is Paulus? Zij zijn niet meer dan dienaren die u tot geloof hebben gebracht, beiden op de wijze die de Heer hun heeft geschonken. 6Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God heeft doen groeien. 7Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want hij doet groeien. 8Wie plant en wie begiet hebben hetzelfde doel, al worden ze ieder apart beloond overeenkomstig de moeite die ze zich hebben gegeven. 9Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker.
U bent een bouwwerk van God.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Donderdag 23 februari: 2 Kronieken 9:13-31

Salomo’s rijkdom
13Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, 14nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten. Ook de Arabische vorsten en de stadhouders van Israël droegen goud en zilver aan Salomo af.
15De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo’n schild werd zeshonderd sjekel gedreven goud verwerkt. 16En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo’n schild werd driehonderd sjekel goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. 17Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met zuiver goud. 18Zes treden leidden naar de troon, waaraan ook een gouden voetenbank was bevestigd en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen 19en op de zes treden stonden er twaalf, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo’n troon gemaakt. 20Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. 21De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die, bemand door zeelieden van Churam, op Tarsis voer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen.
22Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. 23Van heinde en ver kwamen koningen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. 24En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit.
25Salomo beschikte over vierduizend stalplaatsen voor paarden en wagens, en over twaalfduizend wagenmenners. Die waren deels bij de koning in Jeruzalem ondergebracht en deels in garnizoenssteden verspreid over het land.
26Salomo had de heerschappij over alle koningen tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. 27Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 28Paarden werden voor Salomo aangevoerd uit Egypte en verschillende andere landen.
29Verdere bijzonderheden over Salomo zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Natan, in de profetie van Achia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. 30Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, 31tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Woensdag 22 februari: 2 Kronieken 9:1-12

Bezoek van de koningin van Seba
[9]1De roem van Salomo was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen en kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. 2En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. 3Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, 4de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden en schenkers en de plechtige stoet waarin hij zich naar de tempel van de HEER begaf, was ze buiten zichzelf van bewondering. 5Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. 6Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid is nog veel groter dan wordt gezegd. 7Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! 8Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat hij u op de troon heeft gezet om in zijn naam koning te zijn. Uw God heeft Israël zo lief dat hij het voor altijd wil doen standhouden. Daarom heeft hij u als koning aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’
9De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Het reukwerk dat de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, was van onovertroffen kwaliteit. 10De zeelieden van Churam en Salomo die het goud uit Ofir hadden meegebracht, voerden ook sandelhout en edelstenen mee. 11Uit het sandelhout liet Salomo trappen maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Nooit eerder was er in Juda zoiets gezien. 12Koning Salomo gaf de koningin van Seba alles waar ze maar om vroeg. Hij gaf haar zelfs meer dan zij voor hem had meegebracht. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Dinsdag 21 februari: 2 Kronieken 8:12-18

12Toen de tempel eenmaal voltooid was, bracht Salomo brandoffers op het altaar van de HEER dat hij tegenover de voorhal van de tempel had laten maken. 13Daar bracht hij de offers die Mozes had voorgeschreven voor sabbat, nieuwemaan en de drie grote jaarlijkse feesten: het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. 14Hij stelde het dienstrooster in werking dat zijn vader David had opgesteld voor de afdelingen van de priesters en voor de Levieten die tot taak hadden de lofzang ten gehore te brengen en de priesters bij de eredienst behulpzaam te zijn. Ook de poortwachters voor de verschillende poorten liet hij volgens wachtdienst aantreden, alles overeenkomstig de voorschriften van David, de man van God. 15Alle voorschriften van de koning aangaande de priesters en de Levieten, ook wat betreft het beheer van de tempelschatten, werden stipt opgevolgd. 16Zo werd het werk van koning Salomo volledig uitgevoerd, vanaf de dag van de grondvesting van de tempel van de HEER tot aan zijn uiteindelijke voltooiing.
17Daarna ging Salomo naar Esjon-Geber en Elat, aan de kust van Edom. 18Churam stuurde hem onder bevel van zijn gezagvoerders een vloot met een ervaren bemanning, die samen met de zeelieden van Salomo naar Ofir voer, van waar ze vierhonderdvijftig talent goud voor koning Salomo meebrachten.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Maandag 20 februari: 2 Kronieken 8:1-11

[8]1Twintig jaar had Salomo besteed aan de bouw van de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 2De steden die koning Churam hem gegeven had breidde hij uit, zodat daar Israëlieten konden wonen. 3Hij trok op tegen Hamat-Soba en veroverde het. 4Hij versterkte Tadmor, dat in de woestijn ligt, en de steden die hij in Hamat had laten bouwen om er voorraden op te slaan. 5Van Hoog-Bet-Choron en Laag-Bet-Choron maakte hij vestingsteden met muren en vergrendelbare stadspoorten, 6en hij versterkte ook Baälat en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk.
7-8Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten hen niet hadden uitgeroeid. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 9De Israëlieten zelf, die soldaten waren en bevelhebbers van de garde, de wagenmenners en de ruiterij, waren dus niet verplicht tot herendienst. 10Tweehonderdvijftig van hen stelde Salomo aan als opzichters die de leiding over het werkvolk hadden.
11De dochter van de farao liet hij van de Davidsburcht verhuizen naar de vertrekken die hij voor haar in het paleis had laten bouwen, ‘want,’ zei hij, ‘geen vrouw van mij zal in de burcht van koning David van Israël wonen. De plaatsen waar de ark van de HEER heeft gestaan zijn immers heilig.’
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zondag 19 februari: Psalm 83

[83]1Een lied, een psalm van Asaf.
 
2God, houd u niet stil,
zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe,
3uw vijanden roeren zich,
trots heffen uw haters het hoofd.
 
4Tegen uw volk smeden zij een complot,
ze spannen tegen uw lieveling samen,
5en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk,
Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’
 
6Zij hebben samen plannen gesmeed
en zich tegen u verenigd:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de zonen van Hagar,
 
8Gebal en Ammon en Amalek,
Filistea en de bewoners van Tyrus.
9Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten
en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela
 
10Doe met hen als met Midjan,
als met Sisera en Jabin in het Kisondal,
11die bij Endor werden vernietigd
en als mest op het land bleven liggen.
 
12Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb,
hun leiders als Zebach en Salmunna,
13die zeiden: ‘Wij bezetten het land
waar God zijn woning heeft.’
 
14Mijn God, maak hen tot distelpluis,
tot kaf dat verwaait in de wind.
15Zo snel als vuur het bos verbrandt,
als vlammen de bergen verschroeien,
16laat zo uw storm hen voortjagen,
uw wervelwind hen verwarren.
 
17Overdek hen met schande,
dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER.
18Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken
en eerloos verloren gaan, voorgoed.
19Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is,
dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zaterdag 18 februari: Spreuken 11:22-31

 
22Schoonheid bij een vrouw zonder verstand
is een gouden ring in de snuit van een varken.
 
23Wat een rechtvaardige verlangt, brengt niets dan goeds,
wat een goddeloze hoopt, veroorzaakt rampspoed.
 
24Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker,
wie gierig is, wordt arm.
 
25Een gulle gever zal gedijen,
wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen.
 
26Wie zijn graan vasthoudt, wordt door het volk vervloekt,
wie het verkoopt, wordt gezegend.
 
27Wie het goede zoekt, zal waardering vinden,
wie het kwade zoekt, wordt door het kwaad getroffen.
 
28Wie vertrouwt op zijn rijkdom is een blad dat valt,
een rechtvaardige komt tot bloei.
 
29Wie have en goed verwaarloost, krijgt er wind voor terug,
zo’n dwaas wordt de slaaf van een wijze.
 
30Een rechtvaardig mens plant een levensboom,
wie wijs is, neemt veel mensen voor zich in.
 
31Een rechtvaardige krijgt op aarde zijn loon,
zondaars en goddelozen niet minder.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap