Zondag 4 december: Romeinen 15:1-13

[15]1Wij, de sterken, moeten de zwakken in hun kwetsbaarheid helpen en niet ons eigen belang dienen. 2Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander, op wat goed en opbouwend voor hem is. 3Ook Christus zocht niet zijn eigen belang; integendeel, er staat geschreven: ‘De smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen.’ 4Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen. 5Moge God, die ons doet volharden en ons troost geeft, u de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt. 6Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.
7Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard. 8Ik bedoel dit: Christus is een dienaar van de Joden geworden om hun te tonen dat God trouw is en om de beloften aan de aartsvaders te vervullen, 9maar hij is ook gekomen om de heidenen in staat te stellen God te loven om zijn barmhartigheid, zoals geschreven staat: ‘Daarom zal ik u prijzen onder de heidenen, psalmzingen ter ere van uw naam.’ 10En verder staat er: ‘Verheug u, heidenen, samen met zijn volk.’ 11En er staat ook: ‘Loof de Heer, alle heidenen; prijs hem, alle volken.’ 12En verder zegt Jesaja: ‘Isaï zal een telg voortbrengen: hij die komt om over de heidenen te heersen; op hem zullen zij hun hoop vestigen.’ 13Moge God, die ons hoop geeft, u in het geloof geheel en al vervullen met vreugde en vrede, zodat uw hoop overvloedig zal zijn door de kracht van de heilige Geest.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Elke dag de bijbeltekst ontvangen? Volg ons op Twitter

Zaterdag 3 december: Romeinen 14:13-23

13Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen, maar neem u voor, uw broeder en zuster geen aanstoot te geven en hen niet te ergeren. 14Omdat ik één ben met de Heer Jezus weet ik, en ben ik ervan overtuigd, dat niets op zichzelf onrein is, maar dat iets onrein is voor wie het als onrein beschouwt. 15Als u dus uw broeder of zuster kwetst door wat u eet, handelt u niet langer overeenkomstig de liefde. Laat hen voor wie Christus gestorven is niet verloren gaan door het voedsel dat u eet. 16Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, 17want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. 18Wie Christus zo dient, doet wat God wil en wordt door de mensen gerespecteerd. 19Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar. 20Breek het werk van God niet af omwille van wat u eet. Weliswaar is alle voedsel rein, maar het is verkeerd om iets te eten dat iemand aanstoot geeft. 21Vlees, wijn of iets anders waaraan uw broeder of zuster aanstoot neemt, kunt u beter laten staan. 22Uw overtuiging is een aangelegenheid tussen u en God. Gelukkig is wie zich niet schuldig voelt over zijn overtuiging, 23maar wie twijfelt of hij alles mag eten, is op het moment dat hij alles eet al veroordeeld. Want het komt niet voort uit geloof, en alles wat niet uit geloof voortkomt is zondig.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Vrijdag 2 december: Romeinen 14:1-12

[14]1Aanvaard mensen met een zwak geloof zonder hun overtuiging te bestrijden. 2De een gelooft dat hij alles mag eten, maar iemand die een zwak geloof heeft eet alleen groenten. 3Wie alles eet mag niet neerzien op iemand die dat niet doet, en wie niet alles eet mag geen oordeel vellen over iemand die dat wel doet, want God heeft hem aanvaard. 4Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of hij wel of niet volhardt in het geloof gaat alleen zijn eigen meester aan – en hij zal volharden, want de Heer heeft de macht hem dat te laten doen. 5De een beschouwt bepaalde dagen als een feestdag, voor de ander zijn alle dagen gelijk. Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen. 6Wie een feestdag viert, doet dat om de Heer te eren; wie alles eet, doet dat om de Heer te eren, en hij dankt God voor zijn voedsel. Wie iets niet wil eten, laat het staan om de Heer te eren, en ook hij dankt God. 7Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. 8Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer. 9Want Christus is gestorven en weer tot leven gekomen om te heersen over de doden en de levenden. 10Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op uw broeder of zuster? Wij zullen allen voor Gods rechterstoel komen te staan, 11want er staat geschreven: ‘Zo waar ik leef – zegt de Heer –, voor mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God loven.’ 12Ieder van ons zal zich dus tegenover God moeten verantwoorden.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Donderdag 1 december: Psalm 24

[24]1Van David, een psalm.
 
Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft,
de wereld en wie haar bewonen,
2hij heeft haar op de zeeën gegrondvest,
op de stromen heeft hij haar verankerd.
 
3Wie mag de berg van de HEER bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
4Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens*
en niet bedrieglijk zweert.
 
5Zegen zal hij ontvangen van de HEER
en recht verkrijgen van God, zijn redder.
6Dat valt hun ten deel die u zoeken,
die zich tot u wenden – het volk van Jakob. sela
 
7Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,
verhef u, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.
8Wie is die koning vol majesteit?
De HEER, machtig en heldhaftig,
de HEER, heldhaftig in de strijd.
 
9Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,
verhef ze, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.
10Wie is hij, die koning vol majesteit?
De HEER van de hemelse machten,
hij is de koning vol majesteit. sela
Noot
(24:4) zich niet inlaat met leugens – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘geen valse eed aflegt op mijn leven’.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Woensdag 30 november: Romeinen 13:8-14

8Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld. 9Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 10De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde.
11U kent de huidige tijd: het moment is gekomen waarop u uit de slaap moet ontwaken, want de redding is ons meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. 12De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht. 13Laten we daarom zo eerzaam leven als past bij de dag en ons onthouden van bras- en slemppartijen, ontucht en losbandigheid, tweespalt en jaloezie. 14Omkleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan uw eigen wil, die begeerten in u opwekt.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Dinsdag 29 november: Romeinen 13:1-7

[13]1Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. 2Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God, en wie dat doet roept over zichzelf zijn veroordeling af. 3Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is. U wilt niets van de overheid te vrezen hebben? Doe dan wat goed is en ze zal u prijzen, 4want ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het zwaard niet voor niets, want ze staat in dienst van God, en door hem die het slechte doet zijn verdiende straf te geven, toont ze Gods toorn. 5U moet haar gezag dus erkennen, en niet alleen uit angst voor Gods toorn, maar ook omwille van uw geweten. 6Daarom betaalt u ook belasting en staat wie belasting int in dienst van God. 7Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Maandag 28 november: Romeinen 12:9-21

9Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan. 10Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf. 11Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer. 12Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk. 13Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij. 14Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet. 15Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft. 16Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht. 17Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. 18Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. 19Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden.’ 20Maar ‘als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd’. 21Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zondag 27 november: Romeinen 12:1-8

[12]1Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. 2U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.
3Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig over uzelf moet denken. Denk overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft gegeven. 4Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, 5zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. 6We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken. 7Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen. 8Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap