Woensdag 29 juli: Jesaja 65:1-7

[65]1Al vragen zij niet naar mij,
toch laat ik me raadplegen,
en al zoeken ze mij niet,
toch laat ik me vinden.
Al roept dit volk mijn naam niet aan,*
toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’
2Heel de dag sta ik met uitgestoken handen
tegenover een opstandig volk,
dat op de verkeerde weg is
en zijn eigen ingevingen volgt.
3Een volk dat mij openlijk tergt, telkens opnieuw:
ze ontsteken offers in tuinen
en branden wierook op branders van aardewerk,
4ze zitten in graven
en slapen op geheime plaatsen,
ze eten vlees van zwijnen,
hun vaatwerk is gevuld met onrein vleesnat.
5Ze zeggen: ‘Blijf waar u bent, kom niet dichterbij,
want wij zijn te heilig voor u.’
Ze prikkelen mij als rook in mijn neus,
ze zijn als een vuur dat de hele dag brandt.
6Hier voor mij ligt wat er geschreven staat;
ik zal niet rusten* tot ik alles heb vergolden.
Ik zal jullie je wandaden terugbetalen
7en die van je voorouders erbij – zegt de HEER;
ook zij hebben wierook gebrand op de bergen
en mij gehoond op de heuvels.
Ik heb hun loon van tevoren bepaald,
ze krijgen het allemaal terug.
Noten
(65:1) roept dit volk mijn naam niet aan – Volgens een Qumran-handschrift en de oudste vertalingen. MT: ‘wordt dit volk niet bij mijn naam genoemd’.
(65:6) ik zal niet rusten – Volgens andere Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. Betekenis MT onzeker.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Elke dag de bijbeltekst ontvangen? Volg ons op Twitter of Facebook

Dinsdag 28 juli: Jesaja 64:3-11

 
3Nog nooit is zoiets gehoord,
niet eerder zoiets vernomen.
Geen oog zag ooit een god buiten u,
die opkomt voor wie op hem wacht.
4U komt ieder tegemoet
die van harte rechtvaardig handelt,
die uw weg gaat, met u voor ogen.
Maar nu bent u in toorn ontstoken,
omdat wij gezondigd hebben.
Hadden we maar de oude weg gevolgd,
dan zouden we worden gered.
5Wij allen zijn onrein geworden,
onze gerechtigheid is als het kleed
van een menstruerende vrouw.
Wij allen zijn als verwelkte bladeren,
verwaaid op de wind van ons wangedrag.
6Er is niemand die uw naam aanroept,
die zich ertoe zet uw hand te grijpen.
U hebt uw gelaat voor ons verborgen,
u hebt ons moedeloos gemaakt
en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag.
 
7Toch, HEER, bent u onze vader,
wij zijn de klei, door u gevormd,
wij zijn het werk van uw handen.
8Laat uw grote toorn toch varen, HEER,
houd onze schuld niet steeds in gedachten,
maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk?
9Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden:
Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij.
10Onze heilige, luisterrijke tempel,
waar onze voorouders u hebben vereerd,
is ten prooi gevallen aan het vuur,
en alles wat ons dierbaar was, is verwoest.
11Laat dit alles u onbewogen, HEER?
Blijft u zwijgen en laat u ons zozeer lijden?
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Maandag 27 juli: Jesaja 63:15-64:2

 
15Zie neer vanuit de hemel,
kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning.
Waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden?
U bent niet meer met mij begaan,
uw ontferming gaat aan mij voorbij.
16U bent toch onze vader?
Abraham heeft ons niet gekend
en Israël zou ons niet herkennen,
maar u, HEER, bent onze vader,
van oudsher heet u Onze beschermer.
17Waarom, HEER, liet u ons afdwalen van uw wegen?
Waarom hebt u ons onbuigzaam gemaakt,
zodat wij geen ontzag meer voor u hadden?
Keer toch terug, omwille van uw dienaren,
van de stammen die u toebehoren.
18Sinds kort hebben onze vijanden
uw heilig volk in hun macht gekregen
en uw heiligdom vertrapt.
19Het* is alsof u nooit over ons hebt geheerst,
alsof uw naam nooit over ons is uitgeroepen.
 
Scheurde u maar de hemel open om af te dalen!
De bergen zouden voor u beven.
[64]1Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet,
zoals vuur water doet koken,
zo zou u uw vijanden uw naam laten kennen
en alle volken voor u laten beven,
2omdat u de geduchte daden doet
waarop wij niet durven hopen.
Als u toch zou afdalen!
De bergen zouden voor u beven.
Noot
(63:19b-64:11) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 64:1-12.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zondag 26 juli: Jesaja 63:7-14

7Ik zal de liefde van de HEER gedenken
en zijn roemrijke daden bezingen:
alles wat de HEER voor ons heeft gedaan,
de goedheid die hij het volk van Israël bewees
in zijn ontferming en onbegrensde liefde.
8Hij zei: ‘Natuurlijk, het is mijn volk!
Mijn kinderen zijn te vertrouwen.’
Daarom wilde hij hun redder zijn.
9In al hun nood was ook hijzelf in nood:
zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid.
In zijn liefde en mededogen heeft hij hen zelf verlost,
hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door.
10Maar zij zijn in opstand gekomen
en hebben zijn heilige geest gekrenkt.
Daarom werd hij hun tot vijand
en bond hij de strijd met hen aan.
11Toen dacht hij aan de dagen van weleer,
aan Mozes en zijn volk.
 
Waar is hij die zijn volk door de zee voerde,
waar zijn de herders van zijn kudde?
Waar is hij die hen bezielde
met zijn heilige geest?
12Die Mozes terzijde stond met zijn luisterrijke arm,
die voor hen het water kliefde
om zich een eeuwige naam te verwerven?
13Die hen door de diepte leidde
als paarden door de woestijn,
zonder dat ze struikelden,
14als vee dat afdaalt naar het dal?
Het was de geest van de HEER die hun rust gaf.
Ja, u hebt zelf uw volk geleid
om u een luisterrijke naam te verwerven.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zaterdag 25 juli: Jesaja 63:1-6

De wraak van de HEER
[63]1‘Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra,
in purper gekleed, met praal getooid,
die zich groots en machtig verheft?’
Ik ben het die in gerechtigheid spreekt
en bij machte is te redden.
2‘Hoe komen uw kleren zo rood,
als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’
3Ik heb de perskuip alleen getreden,
geen van de volken hielp me daarbij.
Ik trad hen in mijn woede,
vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed bespatte mijn kleren,
al mijn kleren werden besmeurd.
4Ik had besloten tot een dag van wraak,
het jaar van vergelding was aangebroken.
5Toen zag ik dat er niemand was die hielp,
ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.
Op eigen kracht bracht ik redding,
door mijn woede aangespoord.
6Ik heb de volken in mijn woede vertrapt,
met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd.
Hun bloed liet ik op aarde neervloeien.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Vrijdag 24 juli: Handelingen 23:23-35

23Daarna liet hij twee centurio’s komen en zei: ‘Zorg dat er vanavond, drie uur na zonsondergang, tweehonderd soldaten klaarstaan om naar Caesarea te gaan, samen met zeventig ruiters en tweehonderd lichtbewapende mannen; 24zorg ook voor een stel rijdieren om Paulus veilig naar procurator Felix te brengen.’ 25Ook schreef hij een brief met de volgende inhoud:
26‘Claudius Lysias aan zijne excellentie procurator Felix: gegroet! 27Toen deze man werd opgepakt door de Joden en ze op het punt stonden hem te vermoorden, heb ik hem met behulp van mijn soldaten ontzet, daar ik vernam dat hij een Romeins burger is. 28Omdat ik wilde weten waarvan ze hem beschuldigden, bracht ik hem naar hun raad, 29en stelde toen vast dat de beschuldigingen betrekking hadden op geschilpunten inzake hun wet; er werd hem niets ten laste gelegd dat met de dood of gevangenschap wordt bestraft. 30Ik werd er vervolgens van op de hoogte gesteld dat er een aanslag tegen hem werd beraamd, waarna ik hem onmiddellijk naar u heb gezonden. Ook heb ik degenen die hem beschuldigen gelast dat ze hun grieven jegens hem aan u moeten voorleggen.’
31De soldaten namen Paulus mee, zoals hun opgedragen was, en brachten hem ’s nachts naar Antipatris. 32De volgende ochtend lieten ze de ruiters met hem verder reizen en keerden ze zelf terug naar de kazerne. 33Na aankomst in Caesarea overhandigden Paulus’ begeleiders de brief aan de procurator en droegen Paulus over aan zijn gezag. 34Nadat Felix de brief had gelezen vroeg hij uit welke provincie Paulus afkomstig was, en toen hij had gehoord dat Paulus uit Cilicië kwam, 35zei hij: ‘Ik zal u verhoren zodra ook uw aanklagers aangekomen zijn.’ Hij gaf bevel hem gevangen te houden in het pretorium van Herodes.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Donderdag 23 juli: Handelingen 23:12-22

12Toen de dag aanbrak, verzamelde zich een groep Joden, die zwoeren dat ze niet zouden eten of drinken voor ze Paulus hadden gedood. 13Meer dan veertig mannen namen aan deze samenzwering deel. 14Ze gingen naar de hogepriesters en de oudsten en zeiden: ‘We hebben een heilige eed gezworen om niets meer te eten voor we Paulus hebben gedood. 15Dient u daarom nu, onder het voorwendsel dat u de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht nader wilt onderzoeken, namens het hele Sanhedrin een verzoek in bij de tribuun om hem naar u toe te laten brengen. Dan staan wij klaar om hem nog vóór zijn aankomst te doden.’
16De zoon van Paulus’ zuster hoorde echter van dit plan. Hij ging naar de kazerne, en nadat hij daar was binnengelaten, stelde hij Paulus van de samenzwering op de hoogte. 17Paulus liet een van de centurio’s bij zich komen en zei: ‘Breng deze jongeman naar de tribuun, want hij heeft hem iets mee te delen.’ 18De centurio ging met hem naar de tribuun en zei: ‘De gevangene Paulus heeft me bij zich laten komen en me verzocht deze jongeman naar u toe te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.’ 19De tribuun nam hem mee naar een plek waar niemand hen kon horen, en vroeg: ‘Wat heb je me te melden?’ 20De jongeman antwoordde: ‘De Joden hebben afgesproken u te verzoeken Paulus morgen naar hun raad te laten brengen, onder het voorwendsel dat ze zijn zaak nader willen onderzoeken. 21Maar u moet hen niet geloven: meer dan veertig van hen willen hem in een hinderlaag lokken. Ze hebben een eed gezworen dat ze pas weer zullen eten en drinken als ze hem vermoord hebben; ze staan al klaar en wachten alleen nog tot u hun verzoek hebt ingewilligd.’ 22De tribuun liet de jongeman vertrekken, maar beval hem: ‘Vertel aan niemand dat je me hiervan op de hoogte hebt gesteld.’
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Woensdag 22 juli: Handelingen 22:30-23:11

Voor het Sanhedrin
30Omdat de tribuun nauwkeurig wilde vaststellen welke beschuldiging door de Joden tegen Paulus werd ingebracht, liet hij hem de volgende dag uit de gevangenis halen en verordonneerde hij dat de hogepriesters en het hele Sanhedrin bijeen moesten komen. Hij liet Paulus naar het tempelgebouw brengen om voor hen te verschijnen. [23]1Paulus vestigde zijn blik op de leden van het Sanhedrin en zei: ‘Broeders, ik heb een volstrekt zuiver geweten, want tot op de dag van vandaag heb ik mijn leven altijd in dienst gesteld van God.’ 2Ananias, de hogepriester, gaf degenen die naast hem stonden opdracht hem op zijn mond te slaan. 3Daarop zei Paulus tegen hem: ‘God zal ú slaan, huichelaar! U zit daar om volgens de wet recht over mij te spreken, en toch overtreedt u zelf de wet door bevel te geven mij te slaan?’ 4De omstanders zeiden: ‘Scheld je de hogepriester van God uit?’ 5Toen zei Paulus: ‘Ik wist niet, broeders, dat hij de hogepriester is. Er staat inderdaad geschreven: “Een leider van je volk mag je niet verwensen.”’
6Paulus wist dat het Sanhedrin deels uit sadduceeën bestond en deels uit farizeeën, en daarom riep hij hun toe: ‘Broeders, ik ben een farizeeër uit een geslacht van farizeeën, en ik sta hier terecht omwille van de verwachting dat de doden zullen opstaan!’ 7Toen hij dit gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de farizeeën en de sadduceeën en raakte de vergadering verdeeld. 8De sadduceeën beweren immers dat er geen opstanding is en dat engelen en geesten niet bestaan, maar de farizeeën geloven zowel het een als het ander. 9Er ontstond groot tumult, en enkele schriftgeleerden uit de kring van de farizeeën stonden op en betoogden heftig: ‘Wij vinden dat deze man niets heeft misdaan! Het kan toch dat een geest of een engel met hem gesproken heeft?’
10Toen de onenigheid nog toenam, vreesde de tribuun dat Paulus door de leden van het Sanhedrin verscheurd zou worden. Hij liet een afdeling soldaten komen om hem te ontzetten en hem terug te brengen naar de kazerne. 11Die nacht kwam de Heer bij Paulus en zei: ‘Houd moed! Want zoals je in Jeruzalem getuigenis van mij hebt afgelegd, zo moet je ook in Rome van mij getuigen.’
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap