Maandag 4 mei: Hooglied 2:8-15

8Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
9Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
 
10Mijn lief roept mij toe:
‘Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
11Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
12De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
13De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
 
Sta op, vriendin,
Mooi meisje, kom!
14Mijn duif in de rotskloof,
verscholen in de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij luisteren naar je stem,
want je stem is zo lieflijk,
je gezicht zo bekoorlijk.’
Hij en zij
15Vang voor ons de vossen,
vang die kleine vossen.
Ze vernielen de wijngaard,
onze wijngaard vol bloeiende ranken.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Elke dag de bijbeltekst ontvangen? Volg ons op Twitter of Facebook

Zondag 3 mei: Hooglied 2:1-7

[2]1Ik ben een lelie van de Saron,
een wilde lelie in het dal.
Hij
2Als een lelie tussen de distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.
Zij
3Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
 
4Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
5Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
6Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 
7Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zaterdag 2 mei: Psalm 104:16-35

 
16De bomen van de HEER zuigen zich vol,
de ceders van de Libanon, door hemzelf geplant.
17De vogels bouwen daar hun nesten,
in hun kronen* huizen de ooievaars.
18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
in de kloven schuilen de klipdassen.
 
19U hebt de maan gemaakt voor de tijden,
de zon weet wanneer zij moet ondergaan.
20Als u het duister spreidt, valt de nacht,
en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren.
21De jonge leeuwen gaan uit op roof,
brullend vragen zij God om voedsel.
 
22Bij zonsopgang trekken zij zich terug
en leggen zich neer in hun legers.
23De mensen gaan aan het werk
en arbeiden door tot de avond.
 
24Hoe talrijk zijn uw werken, HEER.
Alles hebt u met wijsheid gemaakt,
vol van uw schepselen is de aarde.
25Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt.
Daar wemelt het, zonder tal,
van dieren, klein en groot.
26Daar bewegen de schepen zich voort,
daar gaat Leviatan, door u gemaakt om ermee te spelen.*
 
27En allen zien ernaar uit
dat u voedsel geeft, op de juiste tijd.
28Geeft u het, dan doen zij zich te goed,
opent zich uw hand, dan worden zij verzadigd.
 
29Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst,
ontneem hun de adem en het is met hen gedaan,
dan keren zij terug tot het stof dat zij waren.
30Zend uw adem en zij worden geschapen,
zo geeft u de aarde een nieuw gelaat.
 
31De luister van de HEER moge eeuwig duren,
laat de HEER zich verheugen in zijn werken.
32Hij richt zijn oog op de aarde en zij beeft,
hij raakt de bergen aan en zij stoten rook uit.
 
33Voor de HEER wil ik zingen zolang ik leef,
een lied voor mijn God zolang ik besta.
34Moge mijn lofzang de HEER behagen,
zoals ik mijn vreugde vind in hem.
35Zondaars zullen van de aardbodem verdwijnen,
onrechtvaardigen zullen niet meer bestaan.
Prijs de HEER, mijn ziel.
 
Halleluja!
Noten
(104:17) hun kronen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘de cipressen’.
(104:26) ermee te spelen – Ook mogelijk is de vertaling: ‘er te spelen’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Vrijdag 1 mei: Psalm 104:1-15

[104]1Prijs de HEER, mijn ziel.
HEER, mijn God, hoe groot bent u.
Met glans en glorie bent u bekleed,
2in een mantel van licht gehuld.
 
U spant de hemel uit als een tentdoek
3en bouwt op de wateren uw hoge zalen,
u maakt van de wolken uw wagen
en beweegt u op de vleugels van de wind,
4u maakt van de winden uw boden,
van vlammend vuur uw dienaren.
 
5U hebt de aarde op pijlers vastgezet,
tot in eeuwigheid wankelt zij niet.
6De oerzee bedekte haar als een kleed,*
tot boven de bergen stonden de wateren.
7Toen u dreigde, vluchtten zij weg,
toen uw donderstem klonk, stoven zij heen:
 
8naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen,
naar de plaatsen die u had bepaald.
9U stelde een grens die zij niet overschrijden,
nooit weer zullen zij de aarde bedekken.
 
10U leidt het water van de bronnen door beken,
tussen de bergen beweegt het zich voort.
11Het drenkt alles wat leeft in het veld,
de wilde ezels lessen er hun dorst.
12Daarboven wonen de vogels van de hemel,
uit het dichte groen klinkt hun gezang.
 
13U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen,
de aarde wordt verzadigd en vruchtbaar:
14gras laat u groeien voor het vee
en gewassen die de mens moet verbouwen.
 
Zo zal hij brood winnen uit de aarde
15en wijn die het mensenhart verheugt,
geurige olie die het gelaat doet stralen,
ja, brood dat het mensenhart versterkt.
Noot
(104:6) De oerzee bedekte haar als een kleed – Volgens sommige oude vertalingen. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘Met de oerzee bedekte u hem als met een kleed’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Donderdag 30 april: Hooglied 1:8-17

8Als je mij niet vinden kunt,
mooiste van alle vrouwen,
volg dan het spoor van de kudde,
weid je geiten waar de herders schuilen.
 
9Vriendin van mij,
met een merrie voor farao’s wagen
vergelijk ik jou!
10Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen,
hoe sierlijk zijn je hals en je ketting.
11Laten we een gouden sieraad voor je maken,
bezaaid met zilveren stipjes.
Zij
12Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,
geurt mijn nardus zoet.
13Mijn lief is mij een bundel mirre,
hij slaapt tussen mijn borsten.
14Mijn lief is mij een hennatros
in de wijngaarden van Engedi.
Hij
15Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven.
Zij
16Wat ben je mooi, mijn lief,
wat ben je bekoorlijk.
Het groen is ons bed,
17de balken van ons huis zijn ceders,
de binten zijn cipressen.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Woensdag 29 april: Hooglied 1:1-7

[1]1Hooglied, van Salomo.
Zij
2Laat hij mij kussen,
laat zijn mond mij kussen!
Jouw liefde is zoeter dan wijn,
3zoet is de geur van je huid,
je naam is een kostbaar parfum.
Daarom houden de meisjes van jou.
4Neem mij met je mee. Laten we rennen!
 
Mijn koning brengt mij in zijn kamers.
 
Laten we juichen en zingen om jou!
Laten we jouw liefde prijzen,
meer nog dan wijn.
Natuurlijk houden de meisjes van jou!
 
5Meisjes van Jeruzalem,
donker ben ik, en mooi,
als de tenten van Kedar,
als het doek van Salomo’s tenten.
6Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben,
omdat de zon mij heeft gebrand.
Mijn moeders zonen waren hard voor mij:
ik moest hun wijngaarden bewaken.
Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
 
7Zeg mij toch, mijn allerliefste,
waar laat jij je kudde weiden,
waar laat jij die ’s middags rusten?
Laat me toch niet dwalend*
langs de kudden van je vrienden gaan.
Noot
(1:7) dwalend – Volgens de Targoem, de Pesjitta en de Vulgata. MT: ‘gesluierd’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Dinsdag 28 april: Psalm 23

[23]1Een psalm van David.
 
De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
 
2Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
3hij geeft mij nieuwe kracht*
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
 
4Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
 
5U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
 
6Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.
Noot
(23:3) hij geeft mij nieuwe kracht – Ook mogelijk is de vertaling: ‘hij brengt mij behouden terug’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Maandag 27 april: 1 Johannes 3:11-24

Heb elkaar lief
11Dit is immers wat u vanaf het begin hebt horen verkondigen: dat we elkaar moeten liefhebben 12en niet moeten doen zoals Kaïn, die voortkwam uit hem die het kwaad zelf is, en zijn broer doodsloeg. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig. 13Wees niet verbaasd, broeders en zusters, als de wereld u haat. 14Wij weten dat we van de dood zijn overgegaan naar het leven omdat we elkaar liefhebben. Wie niet liefheeft blijft in de dood. 15Iedereen die zijn broeder of zuster haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwige leven niet blijvend in zich heeft. 16Wat liefde is, hebben we geleerd van hem die zijn leven voor ons gegeven heeft. Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters. 17Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden?
18Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden. 19Dan weten we dat we voortkomen uit de waarheid en kunnen we met een gerust hart voor God staan. 20En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, hij weet alles. 21Geliefde broeders en zusters, als ons hart ons niet aanklaagt, kunnen we ons vol vertrouwen tot God wenden 22en ontvangen we van hem wat we maar vragen, omdat we ons aan zijn geboden houden en doen wat hij wil. 23Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals hij ons heeft opgedragen. 24Wie zich aan zijn geboden houdt blijft in God, en God blijft in hem. Dat hij in ons blijft, weten we door de Geest die hij ons heeft gegeven.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap