Zaterdag 23 mei: Handelingen 1:15-26

Judas vervangen
15In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen – er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen – en zei: 16‘Broeders en zusters, het schriftwoord waarin de heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan. 17Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak. 18Van de beloning voor zijn schanddaad kocht hij een stuk grond, maar bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. 19Alle inwoners van Jeruzalem hebben van deze gebeurtenis gehoord, en daarom noemen ze dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama, wat ‘bloedgrond’ betekent. 20In het boek van de Psalmen staat namelijk geschreven: “Laat zijn woonplaats een woestenij worden en laat niemand daar meer verblijven.” En ook: “Laat een ander zijn taak overnemen.” 21Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus onder ons verkeerde, 22vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’
23Ze stelden twee kandidaten voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. 24Daarna baden ze als volgt: ‘U, Heer, doorgrondt ieders gedachten. Wijs van deze beide mannen degene aan die u gekozen hebt 25om als apostel zijn dienende taak te verrichten en de plaats in te nemen van Judas, die zijn ondergang tegemoet is gegaan.’ 26Ze lieten hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Elke dag de bijbeltekst ontvangen? Volg ons op Twitter of Facebook

Vrijdag 22 mei: Handelingen 1:1-14

Jezus opgenomen in de hemel
[1]1In mijn eerste boek, Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, 2vanaf het begin tot aan de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, nadat hij de apostelen die hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. 3Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.
4Toen hij eens bij hen was, droeg hij hun op: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. 5Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’ 6Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ 7Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. 8Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’
9Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. 10Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. 11Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’
12Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand. 13Toen ze in de stad waren aangekomen, gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus. 14Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Donderdag 21 mei: Hooglied 8:5-14

5Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn,
leunend op de arm van haar lief?
Zij
Onder de appelboom wekte ik jou.
Daar kreeg je moeder weeën,
weeën van jou,
daar baarde ze jou.
 
6Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam.*
7Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.
Broers
8Wij hebben een zusje,
borsten heeft ze nog niet.
Wat doen we met ons zusje
als de mensen over haar gaan spreken?
9Was zij een muur,
dan bouwden wij er zilveren kantelen op.
Was zij een deur,
dan sloten wij die met een balk van cederhout.
Zij
10Ik ben een muur,
mijn borsten zijn als torens.
Zo ben ik in zijn ogen als een stad
die vrede biedt.
11Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij stelde er bewakers aan,
duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.
12Mijn eigen wijngaard blijft van mij.
De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,
en tweehonderd voor de bewakers.
Hij
13Jij die in je hof verblijft,
mijn vrienden zijn gespitst op je stem.
Laat míj die horen!
Zij
14Ga nu van mij weg, mijn lief!
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de bergen vol balsemkruid.
Noot
(8:6) een laaiende vlam – Ook mogelijk is de vertaling: ‘een vlam van de HEER’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Woensdag 20 mei: Hooglied 7:7-8:4

7Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
8Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
9Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
10je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen* baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn.*
Zij
11Ik ben van mijn lief,
en hij verlangt naar mij.
12Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
 
14De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.
[8]1Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.
Ik gaf je kruidige wijn te drinken,
van het sap van mijn granaatappel.
 
3Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
 
4Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Noten
(7:10) mijn kussen – Voorgestelde lezing. MT: ‘mijn geliefde’.
(7:10) mijn lippen en tanden gedompeld zijn – Volgens de Septuaginta, de Pesjitta en de Vulgata. MT: ‘die de lippen van slapenden besprenkelt’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Dinsdag 19 mei: Hooglied 7:1-6

[7]1Draai* rond, meisje uit Sulem, draai rond,
draai rond, we willen naar je kijken.
Hij
Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,
zoals ze danst tussen twee reien?
2Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!
Je heupen draaien sierlijk rond,
de schepping van een kunstenaar.
3Je navel is een ronde kom,
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik is een bergje tarwe,
dat door lelies wordt omzoomd.
4Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle.
5Je hals is als een toren van ivoor,
je ogen als de vijvers van Chesbon,
bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus is als een toren van de Libanon,
die uitkijkt over Damascus.
6Je hoofd rijst op als de Karmel,
omkruld door purperen lokken,
waarin een koning ligt verstrikt.
Noot
(7:1-14) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 6:13-7:13.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Maandag 18 mei: Hooglied 6:4-12

4Je bent zo mooi, vriendin van mij,
zo bekoorlijk als Tirsa,
zo lieflijk als Jeruzalem,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.
5Wend je ogen af, ze verwarren mij.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van de Gilead.
6Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
7Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
 
8Ook al zijn er zestig koninginnen,
en wel tachtig bijvrouwen,
meisjes zonder tal,
9zoals mijn duif is er maar één,
mijn allermooiste is de enige.
De enige voor haar moeder is zij,
een stralend licht voor wie haar baarde.
Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,
elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.
Meisjes
10Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Hij
11Ik ging naar mijn notengaard beneden,
om te kijken naar de bloesems bij de beek,
naar de ranken aan de wijnstok,
de granaatappels in bloei.
12En plotseling voelde ik mij meegevoerd
als op een wagen van mijn nobel volk.*
Noot
(6:12) En plotseling voelde ik mij meegevoerd/ als op een wagen van mijn nobel volk – Betekenis van het Hebreeuws onzeker. Ook mogelijk is de vertaling: ‘Zij heeft mij doen rijden op vorstelijke wagens’, of: ‘Door de wagen van Amminadab herkende ik mezelf niet meer’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zondag 17 mei: Hooglied 5:9-6:3

9Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
mooiste van alle vrouwen?
Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
dat je ons dit zo bezweert?
Zij
10Mijn lief glanst en schittert,
hij steekt boven duizenden uit.
11Zijn hoofd is van goud, het zuiverste goud,
zijn lokken zijn als dadeltrossen, ravenzwart.
12Zijn ogen zijn als duiven
bij een stromende beek,
die baden in water,
die gedompeld zijn in melk.
13Zijn wangen zijn als balsemtuinen,
die overheerlijk geuren.*
Zijn lippen zijn als lelies,
die druipen van vloeiende mirre.
14Zijn armen zijn als staven van goud,
met turkoois bezet.
Zijn buik is als een schijf van ivoor,
versierd met saffier.
15Zijn benen zijn als zuilen van albast,
op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gestalte is zo fier als een ceder van de Libanon.
16Zijn mond is zoet,
aan hem is alles begeerlijk.
Dit is mijn lief, dit is mijn vriend,
meisjes van Jeruzalem!
Meisjes
[6]1Waar is je lief naartoe gegaan,
mooiste van alle vrouwen,
waar is je lief naartoe gegaan?
Laten we hem samen zoeken.
Zij
2Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
3Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies.
Noot
(5:13) die overheerlijk geuren – Volgens de Septuaginta, de Targoem en de Vulgata. MT: ‘torens van geurige stoffen’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Zaterdag 16 mei: Hooglied 5:2-8

2Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!
‘Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.’
3‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?’
4Mijn lief stak zijn hand naar binnen,
een siddering trok door mij heen – om hem!
5Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.
Mijn handen dropen van mirre,
mirre vloeide van mijn vingers
op de grendel van de deur.
6En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
7De wachters vonden mij
op hun ronde door de stad.
Ze sloegen mij, ze verwondden mij,
ze rukten mij de sluier af,
de wachters van de muren.
 
8Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,
als jullie mijn lief vinden,
wat zeggen jullie tegen hem?
Dat ik ziek van liefde ben.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap