MAW artikelen

Licht op de Babylonische ballingschap

Dit artikel is gepubliceerd in: Met Andere Woorden 37/1 (mei 2018), pp. 46-57. Download hier de pdf.

Hoe zag het leven van de Judeeërs in Babylonië eruit? In de Bijbel lezen we er weinig over. Spijkerschriftteksten kunnen deze lacune in zekere mate opvullen. Wat vertellen ze over het lot van de ballingen in Babylonië?

De Babylonische ballingschap, waarbij tienduizenden Judeeërs gedeporteerd werden, was een traumatische gebeurtenis, maar de Bijbel zwijgt grotendeels over het lot van de ballingen. De schrijvers van 2 Koningen eindigen hun relaas wanneer de ballingen, in 586 voor Christus, achter de einder van Jeruzalem verdwijnen; ze vermelden enkel nog de vrijlating van Jojakin uit de gevangenis in Babel. Ook Kronieken is kort van stof: de zeventig sabbatsjaren, door Jeremia voorspeld, gaan in één zin voorbij. Na de wegvoering van Sedekia verschijnt meteen Cyrus om de terugkeer van de Judeeërs af te kondigen. Hetzelfde geldt voor de bijbelboeken Ezra en Nehemia: ze behandelen wel het begin en einde van de ballingschap, maar laten de periode ertussen onbesproken. We moeten het doen met enkele korte flitsen. Zo lezen we in Psalm 137 over de hunkering naar Jeruzalem en het trauma van de deportatie; Jeremia geeft de ballingen het praktische advies er maar het beste van te maken; een van hen, Ezechiël, deelt zijn visioen van een nieuwe tempel. Maar tussen trauma, aanvaarding en droom ligt een spectrum aan andere reacties en ervaringen die de Bijbel onbesproken laat. Spijkerschriftteksten uit Babylonië kunnen iets van deze lacune opvullen. Ze geven, zoals we zullen zien, een inkijkje in het leven van de ballingen. Bovendien werpen ze licht op bepaalde bijbelteksten en het boek Ezechiël (zie het kader aan het eind van dit artikel).

Kleitabletten uit Babylonië

Judese ballingen en hun nakomelingen worden meermaals vermeld in kleitabletten. Soms min of meer toevallig, bijvoorbeeld wanneer een Judeeër als getuige andermans transactie bijwoonde zonder dat hij zelf op de voorgrond trad. Andere keren waren Judeeërs juist het onderwerp van documentatie, zoals in het archief van het paleis van Babel dat gegevens bijhield over de levering van rantsoenen aan Jojakin en andere personen uit zijn entourage, die als gijzelaars aan het hof van Nebukadnessar verbleven.

Tot voor kort speelden spijkerschriftteksten een geringe rol in het onderzoek naar de Babylonische ballingschap. Het aantal tabletten uit de zesde eeuw voor Christus is weliswaar gigantisch, maar binnen de assyriologie bestond er lange tijd maar weinig belangstelling voor deze periode. Tegenwoordig wordt dit tijdvak echter meer en meer gewaardeerd als een dynamische periode, zowel op cultureel-literair als sociaal-politiek vlak. Zo ontstond in het eerste millennium voor Christus een eerste global age, door de opkomst van achtereenvolgens het Assyrische, Babylonische en Perzische wereldrijk. Immense archieven uit tempels, paleizen en huizen lichten ons in over de impact die deze globalisering had op leefgemeenschappen in steden en op het platteland. Kleitabletten die al sinds de negentiende eeuw onaangeroerd in de magazijnen van musea liggen, worden nu voor het eerst gecatalogiseerd, geordend, vertaald en bestudeerd. Daardoor ontdekken we niet alleen steeds meer over de Babylonische cultuur en maatschappij ten tijde van de ballingschap, maar ook over de Judeeërs zelf.

Een voorlopig hoogtepunt is de recente publicatie van een honderdtal kleitabletten dat nieuw licht werpt op de Babylonische ballingschap, uitgegeven door Laurie Pearce en Cornelia Wunsch.1 Onder deze kleitabletten, alle geschreven in Babylonisch spijkerschrift, bevinden zich enkele tientallen uit het dorp, Yahudu uit de periode tussen circa 570 en 480 voor Christus. De Babylonische naam Yahudu kan het beste vertaald kan worden als ‘Jeruzalem’.2 Dit dorp blijkt een van de plaatsen te zijn waar ballingen uit Jeruzalem en omgeving werden gehuisvest. Gezien haar naam was deze nederzetting waarschijnlijk de voornaamste plaats waar de Judese ballingen leefden. De kleitabletten vertellen dat de ballingen in dit nieuwe Jeruzalem huizen bouwden, akkers en dadeltuinen aanlegden, en er hun kinderen grootbrachten. Enkele leden van deze gemeenschap kunnen we zelfs gedurende drie generaties volgen in alledaagse situaties, zoals bij het huren van een ploegos, het lenen van zilver, het oogsten van dadels of het verkopen van vis. De teksten leggen transacties vast tussen en met Judese ballingen die de traumatiserende ervaring van deportatie, ontheemding en sociale afzondering hadden meegemaakt. Zij maakten deel uit van de gemeenschap waarin bijbelboeken als Ezechiël zijn ontstaan, maar kregen geen eigen stem in de Bijbel. De kleitabletten geven een naam aan mensen die anoniem schuilgaan achter een bijbelvers als: ‘Heel Jeruzalem werd in ballingschap weggevoerd: alle legeraanvoerders en alle krijgslieden, tienduizend man, en alle handwerkslieden en smeden; alleen de onaanzienlijksten van het gewone volk bleven achter’ (2 Koningen 24:14).

Een nieuwe wereldorde                                                     

Wat in 2 Koningen wordt omschreven als de ervaring van één volk, maakte deel uit van een veel breder politiek en economisch programma. Na de val van het Assyrische rijk in 612 voor Christus vulde Babylonië het machtsvacuüm snel op. Nebukadnessar, zoon van een vrijheidsstrijder die het zuiden van Mesopotamië van het Assyrische juk had verlost, trad agressief op in de voormalige gebieden van het Assyrische rijk. Oude vazallen van de Assyriërs in het Oostelijke Middellandse Zeegebied raakten hierdoor in de knel tussen het opkomende Babylonië en Egypte, dat zich eveneens liet gelden in deze regio. Het machtsspel tussen Babylonië en Egypte had vaak een verwoestende afloop voor de kleine koninkrijkjes in de Levant. In Jeruzalem liep het uit op de verwoesting van de tempel, en de deportatie van een groot deel van de bevolking.

Talloze gemeenschappen in Syrië en Palestina ondergingen hetzelfde lot. Telkens beantwoordden de Babyloniërs ongehoorzaamheid in hun periferie met geweld en deportatie. De uiteengerukte gemeenschappen ontbrak het aan de wil zich nog verder tegen Babylonische hegemonie te verzetten. Ook de Assyriërs hadden zich in het verleden veelvuldig van deze tactiek bediend. Maar in tegenstelling tot hun voorgangers deden de Babyloniërs niet aan wisseldeportatie, dat wil zeggen dat zij de weggevoerde bevolking van steden als Jeruzalem, Hamat, Gaza en Askelon niet vervingen door ballingen uit andere streken van het rijk. Recente opgravingen in Israël hebben het desastreuze effect van deze ontvolking op de lokale economie onomstotelijk bewezen.3

De deportaties waren niet alleen een strafmaatregel. Ze dienden nog een tweede doel, dat voor de Babylonische staat zo mogelijk nog belangrijker was. Ten zuidoosten van Babylon, op slechts enkele dagen afstand per boot, lag een enorme, grotendeels onbewoonde en onbebouwde vlakte. Onder Nebukadnessar zag men in deze onontgonnen vlakte rondom de stad Nippur een kans om de landbouwcapaciteit en daarmee de voedselvoorziening voor het rijk te vergroten. Daar was grote behoefte aan, want rond de oevers van de Eufraat was een verstedelijkt gebied ontstaan, waar de ene grootstad de andere afwisselde – van Sippar (nabij het huidige Bagdad) in het noorden, via Babylon, Borsippa, Dilbat en Kish in het midden, tot Uruk en Ur in het zuiden. In deze steden nam de bevolking snel toe. Er was dus behoefte aan voedsel voor honderdduizenden mensen. De vlakte rondom Nippur was uitermate geschikt om in deze behoefte te voorzien – alleen ontbrak het aan mankracht om het gebied te ontwikkelen: het graven van irrigatiekanalen, het aanleggen van akkers, het planten van dadeltuinen, enzovoort. De deportatie van tienduizenden mensen uit Juda en andere perifere gebieden paste in dit ontwikkelingsplan.

‘Jeruzalem’ in Babylonië

Toen het leger van Nebukadnessar voor Jeruzalem stond, lag er dus een uitgekiend bevolkingsprogramma klaar. Dit programma was niet speciaal bedacht voor de ballingen uit Juda. Talloze gemeenschappen werden, net als zij, overgeplaatst naar de vlakte rondom Nippur, waar iedere groep een eigen plek toegewezen kreeg (afbeelding 1). De dorpen werden vaak vernoemd naar de stad waar de ballingen vandaan kwamen. Zo was er een Gaza, een Askelon, een Aleppo, een Hamat. In de door Pearce en Wunsch gepubliceerde tabletten horen we nu dus ook van een ‘Jeruzalem’ in Babylonië.

De kleitabletten die in deze nederzetting zijn geschreven, schetsen een beeld van het leven in het dorp. De oudste tabletten dateren uit de tijd van Nebukadnessar. De jongste tabletten dateren uit de regering van Xerxes, decennia nadat de ballingen volgens de Bijbel al toestemming hadden gekregen om naar huis terug te keren. Zo krijgen we gedurende een eeuw ononderbroken informatie over het leven in de ballingschap en over de daaropvolgende periode van ‘vrijwillige’ diaspora in Irak, waaruit een bloeiende Joodse gemeenschap zou ontstaan.

Afbeelding 1 – De Babyloniërs deporteerden talloze gemeenschappen uit de westerse periferie van hun rijk naar de vlakte rondom Nippur, om daar landbouw te bedrijven.

Kleitabletten uit het Babylonische ‘Jeruzalem’

Wat vertellen die kleitabletten ons over de Judese ballingen? Allereerst moeten we beseffen dat de kleitabletten uit Yahudu niet afkomstig zijn uit een reguliere, wetenschappelijk uitgevoerde opgraving. Waar ze gevonden werden, wanneer en door wie, is onbekend. We kunnen er daarom vrij zeker van zijn dat ze op illegale wijze zijn opgegraven in en ontvreemd uit Irak.4 Waarschijnlijk gebeurde dit in het begin van de jaren negentig, vlak na de Irak-Iranoorlog en tijdens de Eerste Golfoorlog. In de loop van de jaren negentig kochten verschillende privéverzamelaars tabletten uit of over Yahudu. Twee assyriologen, Laurie Pearce uit Berkeley en Cornelia Wunsch uit Dresden, zijn in opdracht van twee verschillende verzamelaars (de Amerikaan David Sofer en de Noor Martin Schøyen) gaan werken aan de publicatie van tabletten uit dit Babylonische ‘Jeruzalem’.

De context van het archief

Het boek van Pearce en Wunsch is de omvangrijkste publicatie tot nog toe over dit materiaal. Het bevat alle circa 250 tabletten uit of over Yahudu in de collectie van David Sofer, wat vermoedelijk bijna de helft is van het oorspronkelijke archief. De tabletten van Schøyen zijn nog niet gepubliceerd; naar verluidt betreft het circa 90 stuks. Verder liggen er nog enkele tientallen kleitabletten uit deze groep, onderschept door de Irakese douane, in het Iraq Museum in Bagdad.

De Yahudu-tabletten zijn onderdeel van een groter archief, waarin ook stukken uit andere dorpen en steden zijn opgenomen. Dit doet de vraag rijzen met wiens archief wij hier te maken hebben. Eén specifieke Judese familie, waarvan de stamboom afgebeeld staat als afbeelding 2, neemt in de tabletten een centrale plaats in. We lezen van vier generaties, waarvan de derde, vertegenwoordigd door een zekere Ahiqam, het dominantst is. Pearce en Wunsch menen dat de kleitabletten te zien zijn als het privéarchief van deze Judese familie. Dat is naar mijn mening echter onwaarschijnlijk.

Afbeelding 2 – De familie van Ahiqam.

Ten eerste vinden we onder de tabletten geen aktes die interne familiezaken vastleggen, zoals bijvoorbeeld huwelijken, bruidsschatten, eigendommen of erfenissen.5 Dat is wél het geval in talloze teruggevonden privéarchieven van Babyloniërs. Ten tweede bevinden er zich onder de tabletten uit Yahudu ook een aantal die niet aan Ahiqam of zijn familie toebehoren, maar aan anderen. Dat staat haaks op het karakter van een privéarchief. En ten derde staan de Yahudu-teksten niet op zichzelf. Ze maken deel uit van een grotere vondst, waarin ook tabletten uit andere dorpen en steden zijn aangetroffen, onder meer tabletten van het bureau dat belast was met de administratie van landerijen van de Babylonische kroonprins. De context van de Yahudu-tabletten wijst dus niet op een familiearchief, maar in de richting van staatsdomeinen, landbouwadministratie en belasting.

De staat

De Yahudu-tabletten getuigen van de aanwezigheid van de Babylonische en later Perzische staat. De tabletten zijn geheel conform de Babylonische gebruiken gemaakt. Ze zijn geschreven in de Babylonische taal en in het gangbare spijkerschrift van die tijd. De formuleringen, zinswendingen en bepalingen (voor transacties als huur, koop, lening, dienstverlening en ontvangst) volgen de Babylonische rechtspraktijk. Deze conformiteit aan bestaande normen werd door onderzoekers steeds gezien als een teken van integratie: de Judese ballingen zouden de gebruiken van hun ‘gastland’ actief omarmd hebben omdat dit voordelen met zich meebracht. Door hun transacties in het Babylonisch te laten optekenen zouden zij aanspraak hebben kunnen maken op de bescherming van het Babylonische rechtssysteem. Deze aannames hebben het veel te rooskleurige beeld gevoed dat momenteel van Yahudu’s ballingengemeenschap bestaat. Die zou er het beste van gemaakt hebben, zich aangepast hebben waar dit voordelig was en eigen culturele waarden behouden hebben waar het kon, bijvoorbeeld in de geloofsovertuiging, in de naamgeving, in het verhalengoed en in de literatuur, zichtbaar in de Hebreeuwse Bijbel. Maar dit beeld verdient stevige correctie. De kleitabletten weerspiegelen de behoefte van de staat om controle te houden op de productie van arbeid en goederen in de nederzetting.

Ten eerste moeten we de bestaansreden van dit dorp niet uit het oog verliezen. Het is beter om ons Yahudu voor te stellen als een staatsboerderij dan als een boerendorp. Deze gemeenschap was onder dwang naar Babylonië gebracht om er landbouw te bedrijven. Rondom het dorp had de staat percelen van standaardgrootte uitgemeten, één voor ieder huishouden. De percelen werden per tien gegroepeerd tot eenheden die voor eigen productie verantwoordelijk waren. De opbrengsten waren deels bedoeld voor eigen onderhoud, maar de staat eiste de rest op in de vorm van pacht en belastingen. Ook waren de mannen corvee en legerdienst verschuldigd. Zo hield de staat zicht op de productie. Onder Darius, rond 515 voor Christus, werd een grootschaliger structuur ingevoerd om het beheer te optimaliseren. Een grootpachter kocht voortaan het inningsrecht op, waardoor de staat op vaste inkomsten in zilver kon rekenen en niet meer belast was met het schatten en innen van de pacht, of met het transport en de omzet van dadels of gerst. Ahiqam, lid van de Judese gemeenschap, was zo’n grootpachter – hij bezat een brouwerij. Of hij gedreven werd door ondernemerszin, zoals Pearce en Wunsch beweren, of onder druk van de staat handelde, is niet te achterhalen. Gezien Ahiqams status als shushanu, een onvrij persoon gebonden aan de staat, moeten we ons van het vrije ondernemerschap niet te veel voorstellen. We weten dat de staat bij dit soort grootpachtcontracten geneigd was om onrealistische bedragen te eisen en we kennen menig Babylonisch grootpachter die zo in de schulden geraakte. Of dit bij Ahiqam ook het geval was, valt niet op te maken uit de teksten. Wat we wel weten is dat vrijwel alle tabletten uit Yahudu op de een of andere manier met Ahiqams activiteiten als grootpachter te maken hebben. Zijn brouwerij lijkt op het eerste zicht een zelfstandige onderneming, maar het was een wijdverbreide zakelijke strategie onder grootpachters om hun inkomsten in dadels via de bierhandel om te zetten in het zilver dat zij nodig hadden om hun staatscontract te betalen. Hoewel de brouwerij dus van Ahiqam was, vormde deze een onderdeel van zijn verplichtingen jegens de staat.

Ten tweede waren de schrijvers in Yahudu staatsambtenaren, verbonden aan bureaus die belast waren met de administratie rond het innen van pacht en het oproepen van dienstplichtigen. Het gaat om staatsinstellingen, bedoeld om het belang van de koning te dienen.

Ten derde valt er iets belangrijks af te leiden uit het gebruik van Babylonische schriftcultuur in Yahudu. Dankzij talloze vondsten uit het zesde-eeuwse Babylonië, hebben we een goed beeld van de geletterdheid onder de Babyloniërs. Babyloniërs die deelnamen aan het economisch verkeer konden over het algemeen lezen en schrijven. Ze stelden zelf contracten op en onderhielden hun eigen administratie. In Yahudu zien we het tegendeel. Daar werden álle tabletten door buitenstaanders geschreven. In de eerste generatie is dit niet verwonderlijk, gezien het gebrek aan scholing in het spijkerschrift. Maar het is veelzeggend dat er zelfs na honderd jaar nog steeds geen Judeeër was die voor het schrijversberoep was opgeleid of dit beroep uitoefende. Dat wijst erop dat de toegang tot geletterdheid bewaakt werd. Dit zou een praktische oorzaak kunnen hebben, bijvoorbeeld doordat Judese kinderen geen mogelijkheid hadden een spijkerschriftopleiding te genieten, maar het zou ook kunnen dat het schrijverschap vanwege zijn controlefunctie ten behoeve van de staat voor de ballingen ontoegankelijk gehouden werd.

Een archief van verdrukten

Dankzij de Yahudu-tabletten weten we eindelijk meer over de slachtoffers van Nebukadnessars deportaties uit Jeruzalem. Het archief biedt soms een levendig inkijkje in het verleden. In tablet no. 16, bijvoorbeeld, kunnen we luisteren naar twee ruziënde ballingen, Ahiqam en Nadab-Yama. De laatste had dadels geïnd die (als pacht) verschuldigd waren aan de eerste, en waarvan het verschuldigde gewicht eerder was vastgesteld, en was dus aan de haal gegaan met de pacht:

Ahiqam zei tegen Nadab-Yama: ‘Jij hebt de dadels geïnd die ík heb laten schatten!’ Daarop zei Nadab-Yama tegen Ahiqam: ‘Ik mag vervloekt zijn als ik de dadels die jij hebt laten schatten inderdaad heb geïnd!’

Wel moeten we ons ervan bewust zijn dat deze kleitabletten gaan over onderdrukte Judeeërs. De staat eiste de vruchten van Judese arbeid op. Als dit archief íéts laat zien, dan is het de machtsstructuur waarmee de staat de Judeeërs uitbuitte. Dat sommige Judeeërs grote hoeveelheden zilver verhandelden, betekent niet dat zij een gemakkelijk leven leidden; het is slechts een teken van de enorme opbrengsten die de staat uit de arbeid van de ballingen wist te genereren.

Dr. C. Waerzeggers is hoogleraar Assyriologie aan de Universiteit Leiden en leidt het ERC project Persia and Babylonia (682241).

Noten

1     Laurie E. Pearce & Cornelia Wunsch, Documents of Judean Exiles and West Semites in Babylonia in the Collection of David Sofer, Bethesda 2014. Een Nederlandstalige bijdrage over de Yahudu-tabletten van Rieneke Sonnevelt verscheen onlangs in Phoenix, het tijdschrift van de stichting Ex Oriente Lux.

2   De vertaling ‘Juda’ is ook mogelijk. In overeenstemming met andere ballingschapsoorden in Babylonië, zoals ‘Neirab’, ‘Gaza’, ‘Ashkelon’, en aangezien de plaatsnaam in het spijkerschrift wordt ingeleid met het determinatief URU (stad), is de aanduiding met ‘Jeruzalem’ echter passender.

3   K. Valkama, ‘What Do Archaeological Remains Reveal of the Settlements in Judah in the Mid-Sixth Century BCE?’ in: E. Ben Zvi & C. Levin (eds.), The Concept of Exile in Ancient Israel and its Historical Contexts (BZAW 404, Berlijn 2012), 39-59.

4   Over de illegale handel in Irakese antiquiteiten en de rol van academici daarin zie de kritische artikelen van de Britse onderzoeker Neil Brodie, http://traffickingculture.org/.

5   Een document over de erfdeling tussen de zonen van Ahiqam is daarop een uitzondering. Omdat dit document enkel ingaat op de inboedel van een brouwerij die samenhing met Ahiqams activiteiten als staatspachter, kan betwist worden of het hier om een privéaangelegenheid gaat.

Licht uit Babel op de Bijbel

De afgelopen anderhalve eeuw heeft archeologisch en taalkundig onderzoek naar Babylonische teksten nieuw licht geworpen op de Bijbel. Enkele voorbeelden:

  • Uit een kleitablet in het British Museum blijkt de in Jeremia 39:3 genoemde Nebusarsechim overeen te komen met Nabû-šarrūssu-ukīn, rab ša-rēši, een hoge functionaris in dienst van Nebukadnessar.
  • In Jeremia 39:3 wordt ook Nergal-Sareser de rabmag genoemd. De functie van de rab mugi, een hoge officier, zien we ook in het Yahudu-archief: sommige Judese families bewerken land op zijn domein. Hij heeft ballingen meegenomen en zet die in als landbewerkers.
  • Ezechiël 1:1 noemt het Kebarkanaal. Dit kanaal werd in opdracht van de Perzische koningen gegraven als verbindingsroute tussen Babylonië en het paleis van Darius in Susa. Het werk begon onder Cambyses en werd onder Darius I voltooid. Het kanaal wordt ook genoemd in het Yahudu-archief. De vermelding in Ezechiël 1:1 laat zien dat het boek Ezechiël in zijn definitieve vorm niet uit de Babylonische maar uit de Perzische tijd stamt.

Ezechiël vertoont een bijzonder sterke vertrouwdheid met Babylonische voorstellingen en terminologie. We treffen er veel Akkadische leenwoorden in aan. Enkele voorbeelden:

  • brmym in Ezechiël 27:24 is ontleend aan de Babylonische textielnijverheid: burrumu is een ‘bontgekleurd’ stuk textiel.
  • ’škr in Ezechiël 27:15 komt overeen met het Akkadische iškaru, een term uit onder andere de zaken- en handelswereld die ‘schatting’ betekent.

Onderzoekers als Frankena en Bodi hebben gewezen op de opvallende parallellen, zowel thematisch als terminologisch, tussen het boek Ezechiël en het Babylonische Erra epos.

Literatuur

Daniel Bodi, The Book of Ezekiel and the Poem of Erra, Freiburg 1991.

  1. Frankena, Kanttekeningen van een Assyrioloog bij Ezechiël, Leiden 1965.

Paul Mankowski, Akkadian loanwords in Biblical Hebrew, Winona Lake 2000

Jonathan Stökl, ‘Ezekiel’s Access to Babylonian Culture,’ in: Jonathan Stökl & Caroline Waerzeggers (eds.), Exile and Return. The Babylonian Context, Berlijn 2015, 223-251.

Abraham Winitzer, ‘Ezekiel among the Babylonian Literati,’ in: Uri Gabbay & Shai Secunda (eds.), Encounters by the Rivers of Babylon, Tübingen 2015.