Blog

BIJBELWETENSCHAP | Hoe oud is de Bijbel?

Over de vraag wanneer de oudste bijbelteksten zijn ontstaan lopen de antwoorden sterk uiteen. Zijn ze pas geschreven na de Babylonische ballingschap of al veel eerder? Matthijs de Jong dook in deze kwestie.

Nieuw licht op een oude vraag

Wanneer zijn de boeken van het Oude Testament geschreven? De antwoorden lopen sterk uiteen. Dat is niet vreemd, want directe bewijzen zijn er niet. Sommige onderzoekers denken dat het schrijfwerk al vroeg begon: in de tijd van de Rechters (12e-11e eeuw voor Christus) of iets later, tijdens de regering van Salomo. Anderen noemen de late koningentijd (8e-7e eeuw voor Christus), toen Assyrië de landen Israël en Juda in zijn greep nam. Maar er is ook een grote en groeiende groep onderzoekers die wijst naar een veel latere periode: de tijd ná de Babylonische ballingschap. Het Oude Testament is dan ontstaan in de Perzische en Griekse tijd (5e-2e eeuw voor Christus).

Deze dagen is er een onderzoek in het nieuws dat hier een nieuw licht op wil werpen. Een team van Israëlische wetenschappers zou hebben aangetoond dat de 7e eeuw voor Christus de beslissende periode is geweest voor het ontstaan van het Oude Testament. Hoe maken ze dat aannemelijk? Wat houdt hun onderzoek in? En wat hebben ze nu eigenlijk aangetoond? Daar ga ik in dit artikel op in.

Onderzoek naar potscherven

Het gaat om een nieuwe onderzoeksmethode die is toegepast op materiaal dat al bekend was. Het betreft 16 beschreven potscherven (ostraca) uit de Judese plaats Arad uit ongeveer 600 voor Christus. In Arad was een militaire basis en op de potscherven staan vooral militaire instructies. Het gaat bijvoorbeeld over het uitdelen van rantsoenen aan soldaten. Uit enkele briefjes blijkt dat de situatie dreigend is. Die dreiging komt van de Babyloniërs. Met de mensen die we op de potscherven tegenkomen is het waarschijnlijk slecht afgelopen. In 597 voor Christus. kwam Nebukadnessar met zijn leger. De basis in Arad werd vernietigd en heel Juda werd ingenomen (Voor een Nederlandse vertaling van de potscherven: Klaas Smelik, Neem een boekrol en schrijf. Tekstvondsten uit het Oude Israël.

De scherven uit Arad zijn op zichzelf al fascinerend. Dit nieuwe onderzoek voegt er een nieuwe dimensie aan toe. Met behulp van een technische analyse is berekend hoeveel ‘handen’ er achter die 16 teksten schuilgaan. De uitkomst is dat er achter deze teksten minstens 6 verschillende schrijvers zitten.

Van de scherven naar schrijfcultuur

Wat zegt dat? Nou, menen de onderzoekers: zo veel verschillende schrijvers op dit aantal teksten, dat wijst op een relatief hoge mate van geletterdheid. Als we dit onderzoek uitvergroten naar heel Juda in die tijd, mag je van een bloeiperiode van geletterdheid spreken. Het wijst op een literaire infrastructuur (onderwijs, koninklijke en militaire bureaucratie, etc.) van een niveau dat we tot dan toe in Juda nooit zagen, en dat ook daarna eeuwenlang niet meer werd gehaald. De verwoesting door de Babyloniërs maakte er een einde aan. Pas in de 2e eeuw voor Christus kwam Juda weer op dit niveau terug.

Vervolgens komt de stap naar het Oude Testament. Dat is een indrukwekkend literair bouwwerk. Wanneer kunnen we ons zo’n grote literaire productie voorstellen? Alleen als er een aanzienlijke mate van geletterdheid is (voldoende schrijvers), een literaire infrastructuur en een schrijversklasse in dienst van het hof of de tempel. En dan kom je, aldus dit nieuwe onderzoek, uit in de 7e eeuw voor Christus.

Het is natuurlijk een enorme stap van 16 potscherven naar de claim dat het Oude Testament in de 7e eeuw voor Christus is geschreven. Toch is het minder vreemd dan het lijkt als je de context van het bijbelonderzoek kent.

Voor of na de ballingschap, that’s the question

Er speelt al decennia lang een discussie tussen bijbelwetenschappers over de herkomst van het Oude Testament. Waar ligt het zwaartepunt voor het ontstaan van deze boeken? In de afgelopen jaren wordt het zwaartepunt meer en meer gelegd in de late periode, na de ballingschap: de Perzische en Griekse tijd (5e tot 2e eeuw voor Christus). Dát was, meent men, de bepalende tijd voor het ontstaan van de boeken van het Oude Testament. Vaak gaat men er wel vanuit dat veel boeken oudere voorlopers hadden daterend uit de tijd voor de ballingschap. Maar een bepaalde groep onderzoekers is radicaler: het begint allemaal pas in de Perzische tijd en over de eeuwen daarvoor valt geen zinnig woord te zeggen.

Dit nieuwe onderzoek haalt die laatste positie onderuit en biedt een tegenwicht tegen de neiging om vooral naar de late periode te kijken. Het legt – terecht – de vinger bij de zere plek: hoe kan het dat een zo grote literaire productie heeft plaatsgevonden in een periode waarin er maar weinig aanwijzingen zijn voor een bloeiende literaire infrastructuur? Moeten we de periode die die aanwijzingen wél biedt – de 7e eeuw voor Christus – niet veel serieuzer nemen als een mogelijke tijd van literaire productie? Dat lijkt me een goed uitgangspunt.

Bloeitijd in de zevende eeuw

Hoe was de situatie in de 7e eeuw voor Christus? Juda was ingelijfd in het Assyrische rijk. Na de opstand van Hizkia en de veldtocht van koning Sanherib (701 v.Christus), brak een lange periode van relatieve stabiliteit en toenemende welvaart aan. Tijdens de regering van Manasse, Amon en Josia was er vrede. In de schaduw van de Assyrische overheersing was er economische voorspoed en groei. Jeruzalem groeide uit tot een grote en machtige stad. Juda werd machtiger, ook omdat het noordelijke koninkrijk Israël niet meer bestond. De komst van vluchtelingen uit het buurland Israël gaf nieuwe impulsen, waarschijnlijk ook op literair vlak.

Deze situatie biedt een goede achtergrond voor literaire productie. Natuurlijk zullen er ook al eerder verhalen zijn opgeschreven en wetten zijn vastgelegd. Maar de 7e eeuw voor Christus zou goed de tijd kunnen zijn waarin voor het eerst de grote literaire ontwerpen zijn gemaakt. Denk aan een doorlopend verhaal over de oergeschiedenis en over de stamvaders van het volk (Genesis), een groot verhaal over de bevrijding uit Egypte en de komst naar het beloofde land (Exodus tot Jozua), een groot verhaal over de eerste koningen en de twee rijken, Israël en Juda.

Dit is overigens geen nieuw idee. Veel onderzoekers gingen hier al van uit. En verschillende wetenschappers die bij dit nieuwe onderzoek betrokken zijn, hebben dit ook al eerder betoogd (zoals Israel Finkelstein in zijn boek The Bible unearthed – Archaeology’s new Vision of Ancient Israel and the Origin of Its Sacred Texts, in het Nederlands verschenen onder de misleidende titel: De bijbel als mythe. Opgravingen vertellen een ander verhaal. Dit nieuwe onderzoek geeft aan deze positie nog meer waarschijnlijkheid.)

Maar daarmee is de zaak niet rond. Want hoe belangrijk die 7e eeuw voor Christus ook was, het heeft zeker niet de eindversie opgeleverd van de boeken van het Oude Testament. We moeten ook verder kijken, naar de tijd van de ballingschap en daarna. Het is geen kwestie van of of, maar van en en.

Nieuwe versies van het oudere ontwerp

De ballingschap, de verwoesting van Jeruzalem en de ontmanteling van Juda hebben een groot stempel gedrukt op de manier waarop de Judeeërs naar hun eigen geschiedenis keken. Wie zijn we, hoe zien we onszelf, ons verleden en onze toekomst? Wie of wat is Israël nog? De meeste boeken van het Oude Testament vertonen sporen van deze diepe crisis in Juda’s geschiedenis. Dus ja, voor veel boeken van het Oude Testament geldt dat de versie waarin wij ze kennen dateert van na de ballingschap. Dat betwist bijna geen onderzoeker. Vrijwel niemand dateert de tweede helft van het boek Jesaja of het boek Ezechiël of het boek Job vóór de ballingschap. Om nog maar te zwijgen van 1-2 Kronieken, Ezra en Nehemia. En ook in de koningenverhalen wordt een verklaring geboden voor de ondergang van de monarchie en wordt de geschiedenis in het licht van de ballingschap geplaatst. Het Oude Testament blijft dus in zekere zin een product van de tijd na de ballingschap. Maar wel met een zeer belangrijke nuancering: de basis voor veel van de grote literaire ontwerpen in deze boeken is een stuk ouder en stamt waarschijnlijk al uit de 7e eeuw voor Christus.

Wat is de relevantie hiervan? Het gaat ten diepste om de vraag naar de relatie tussen het bijbelse Israël – het Israël dat we tegenkomen in de teksten – en het historische Israël en Juda. Dat die relatie één op één is, is in het licht van het bijbelonderzoek moeilijk vol te houden. Sommige geleerden gaan echter uit van het andere extreem. Ze menen dat de kloof tussen het bijbelse Israël en de geschiedenis onoverbrugbaar is: de oudtestamentische boeken bieden een beeld van Israël dat volledig onhistorisch is.

Dit nieuwe onderzoek laat zien dat de tussenpositie de sterkste papieren heeft. Er ís een relatie tussen het Israël van de Bijbel en het historische Israël en Juda van voor de ballingschap, maar die relatie is complex. Makkelijke antwoorden zijn er niet. Het is een zoektocht waarin we op z’n best bruikbare indirecte aanwijzingen vinden. Het hier besproken onderzoek is daarvan een mooi voorbeeld.

Luister naar het interview met Matthijs de Jong op Groot Nieuws Radio