MAW artikelen

Welk Nieuwe Testament?

Over de Nieuwe Bijbelvertaling, de Herziene Statenvertaling en de bronteksten van het Nieuwe Testament.

Door: Cor Hoogerwerf

Zowel de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) als de Herziene Statenvertaling (HSV) wil dicht bij de brontekst blijven. Dat doen ze met verschillende vertaalmethoden. Een belangrijk verschil tussen deze vertalingen zit vast op de keuze van de brontekst die vertaald wordt. Aan welke brontekst is men trouw als men een ‘brontekstgetrouwe’ vertaling van het Nieuwe Testament maakt? Welke verschillen in het Nieuwe Testament zijn het gevolg van de brontekstkeuze? En doen die verschillen er eigenlijk toe?

Dit artikel bespreekt de meest opvallende verschillen tussen de HSV en de NBV die voortkomen uit de brontekstkeuze van deze vertalingen: het volgen van de Textus Receptus (HSV) of de editie van Nestle-Aland (NBV).

De Griekse tekst die ten grondslag ligt aan de (Herziene) Statenvertaling ([H]SV) is de zogeheten Textus Receptus (TR). Deze tekst is, in een aantal licht van elkaar verschillende uitgaven, van de zestiende tot de negentiende eeuw toonaangevend geweest. Sinds de negentiende eeuw zijn er belangrijke nieuwe kritische edities gemaakt. Het Novum Testamentum Graece, beter bekend als de editie van Nestle-Aland (NA), is hiervan de bekendste en de meest gebruikte. De 27e editie (1993) van NA heeft ten grondslag gelegen aan de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), maar de Bijbel in Gewone Taal (2014) is op de jongste NA-editie gebaseerd (de 28e, 2012).1 De vertalingen van het NBG volgen dus de tekstkritische ontwikkelingen. Dat is niet het geval bij de Herziene Statenvertaling. Was het namelijk bij het Oude Testament nog mogelijk op basis van de Dode Zeerollen enkele nieuwe tekstuele inzichten te verwerken, in het Nieuwe Testament heeft de HSV nieuwere inzichten taboe verklaard.

In dit artikel zal besproken worden welke gevolgen de brontekstkeuze heeft voor wat er in een vertaling komt te staan. Het valt buiten het bestek van dit artikel om in detail uit te leggen hoe tekstvarianten ontstaan zijn. Tevens veronderstel ik bekend dat de TR wetenschappelijk achterhaald is. Dat is uitvoerig uitgelegd door Henk Jan de Jonge in het voorgaande artikel.2 Het gaat er dus niet om wie er wetenschappelijk gezien gelijk heeft, want dat is helder. Wel is het nuttig om aan de hand van enkele saillante voorbeelden uiteen te zetten welke concrete verschillen er tussen vertalingen bestaan als gevolg van de brontekstkeuze, en in hoeverre dat een ander Nieuw Testament oplevert voor de gewone bijbellezer.

Onvertaalbare verschillen

De keuze voor een andere brontekst levert verschillen op, maar de aard van die verschillen is van geval tot geval anders. Er zijn vertaalbare verschillen, die variëren van een enkele pennenstreek tot complete verhalen. Het Griekse Nieuwe Testament bevat tegen de 140.000 woorden. Er zijn ruim drieduizend vertaalbare verschillen tussen de TR en de NA-tekst.3 Het aantal onvertaalbare verschillen is een stuk groter. Het gaat dan om kleine verschillen in spelling, woordvolgorde en grammatica, die wel voor wetenschappers en theologen van belang kunnen zijn, maar geen gevolgen hebben in een vertaling. Een willekeurig voorbeeld: in 1 Korintiërs 10:8 staat zowel in de HSV als in de NBV ‘op één dag’. In de Griekse tekst van de TR heeft deze frase een voorzetsel, maar het ontbreken daarvan in NA leidt niet tot een verschil in vertaling.

Langere passages

Tot de meest saillante verschillen tussen de TR en NA behoort het al dan niet voor authentiek houden van enkele langere passages. De eerste is het lange slot van Marcus (16:9-20), waarin verteld wordt dat Jezus na de opstanding enkele keren verschijnt. De vraag naar de authenticiteit van dit gedeelte is van belang in discussies over de verhouding tussen geloof en doop (Marcus 16:16), en ook snake handlers beroepen zich op dit gedeelte (Marcus 16:17-18). De HSV biedt deze tekst, in navolging van de TR, zonder enig commentaar. In de NBV daarentegen is het lange slot afgebakend van het voorafgaande middels drie asterisken. Volgens de inleiding op dit evangelie wordt daarmee duidelijk gemaakt dat de meeste uitleggers menen dat Marcus bij 16:8 eindigt. Toch staat het lange slot in de hoofdtekst. Dat is ook het geval in NA, weliswaar tussen dubbele haken. Dit betekent dat dit een heel oude toevoeging is. De NBV heeft het kortere slot van Marcus, anders dan NA, naar een voetnoot verplaatst, vermoedelijk omdat dit kortere slot niet zo bekend is.

De NBV volgt de gebruikte teksteditie dus niet mechanisch. Dat blijkt ook bij het verhaal van de vrouw die op overspel is betrapt (Johannes 7:53-8:11). Dit bekende en geliefde verhaal hoort eigenlijk niet bij het vierde evangelie. Volgens NA is dit ook zo’n oude toevoeging, maar de NBV meldt slechts in een voetnoot dat deze verzen ontbreken ‘in andere handschriften’. De argeloze lezer zou op grond van de keuze van de NBV om dit verhaal zonder meer in de hoofdtekst te plaatsen, de indruk kunnen krijgen dat dit verhaal er gewoon bij hoort. De NBV komt hier dichter in de buurt van de HSV dan je op basis van NA zou verwachten! Hetzelfde geldt voor de bekende passage in het lijdensverhaal waarin Jezus hevig zweet en door een engel ondersteund wordt (Lucas 22:43-44). Volgens NA is dit een oude toevoeging, maar de NBV heeft alleen een voetnoot die aangeeft dat ‘andere handschriften’ deze verzen niet hebben.

Harmoniserende en uitbreidende toevoegingen

In de loop van de tekstgeschiedenis zijn door kopiisten regelmatig verklarende toevoegingen in de bijbeltekst ingevoegd. Zulke toevoegingen gingen deel uitmaken van de tekst. Vele daarvan zijn terug te vinden in de HSV. In Handelingen 18:21 bijvoorbeeld zegt Paulus dat hij het voornemen heeft terug te keren naar Efeze. In de HSV staat daarvoor: ‘Ik moet beslist het komende feest in Jeruzalem vieren, maar …’ Door deze toevoeging worden Paulus’ reisplannen explicieter gemaakt.

De HSV heeft in de evangeliën soms extra verzen, die vaak algemene frasen bevatten of herhalen wat er al staat. Bijvoorbeeld Marcus 7:16: ‘Als iemand oren heeft om te horen, laat hij dan horen’ (HSV; vergelijk Marcus 9:44 en 46; 11:26, Matteüs 23:14).

Een bekend voorbeeld van een toevoeging is het verhaal van Filippus en de Ethiopische eunuch. In de NBV wordt de laatste zonder omhaal gedoopt (Handelingen 8:36, 38). Oplettende lezers zullen opmerken dat de NBV vers 37 alleen in de voetnoot weergeeft. De HSV heeft dit vers echter in de hoofdtekst: ‘En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is’ (Handelingen 8:37). Dit betreft een latere toevoeging aan de tekst, waardoor het karakter van het verhaal is veranderd. De eunuch legt immers in de HSV vóór zijn doop eerst een geloofsbelijdenis af, terwijl het er in de NBV veel spontaner aan toegaat.

Een vergelijkbare uitbreiding is te vinden in het verhaal over de roeping van Paulus, waarbij de HSV een dramatischer versie biedt van Handelingen 9:5-6.

HSV NBV
5 En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan. 6 En hij zei, bevend en verbaasd: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga de stad in en daar zal u gezegd worden wat u moet doen. 5 Hij vroeg: ‘Wie bent u, Heer?’ Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt.

6 Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.’

Wat deze twee voorbeelden uit Handelingen 8 en 9 extra saillant maakt, is dat de Griekse basis van de uitgebreide tekst buitengewoon smal is. Voor Handelingen 9 geldt dat een deel van de extra tekst afkomstig is uit een ander hoofdstuk in Handelingen waar dit verhaal naverteld wordt (26:14). Zo zijn in de latere overlevering de verhalen meer met elkaar in overeenstemming gebracht. Hetzelfde fenomeen is zichtbaar in de evangeliën, die regelmatig met elkaar zijn geharmoniseerd. Zo heeft de HSV een extra vers ten opzichte van de NBV in Matteüs 17:21 (overgewaaid uit Marcus), 18:11 (afkomstig uit Lucas), 19:9b (uit Marcus en Lucas), Lucas 4:4b en 17:36 (uit Matteüs), 23:17 (uit Matteüs en/of Marcus). Een treffend voorbeeld is Marcus 15:28 in de HSV, waarin na de beschrijving van Jezus’ kruisiging tussen misdadigers een vervullingscitaat uit Lucas is overgenomen: ‘En het Schriftwoord is in vervulling gegaan dat zegt: En Hij is onder de misdadigers gerekend.’

Hoewel deze extra verzen in de HSV meestal geen zwaarwegende inhoudelijke verschillen opleveren, bestaat toch het gevaar dat het eigen karakter van de evangeliën minder uit de verf komt. Een sterk staaltje daarvan is te vinden bij het Onzevader: de veel kortere versie van Lucas (11:2-4) is in de TR, en dus in de HSV, aangevuld met de woorden van de ‘standaardversie’ uit Matteüs (6:9-13). De HSV biedt bovendien aan het slot van het Onzevader de bekende lofprijzing, die in de NBV alleen in een voetnoot te vinden is. Dit toont de invloed van het kerkelijke gebruik van de Bijbel, wat bijvoorbeeld ook blijkt uit de toevoeging van het woord ‘Amen’ aan het eind van elk bijbelboek in de HSV.

Theologische verschillen

Sommige verschillen tussen de bronteksten van de NBV en de HSV zijn van meer theologisch gewicht. Een sprekend voorbeeld is 1 Timoteüs 3:16 in de HSV: ‘God is geopenbaard in het vlees.’ De NBV heeft: ‘Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam.’ Tussen ‘God’ en ‘Hij’ maken in het Grieks twee streepjes het verschil. Als de lezing van de HSV zou kloppen, zou dit een van de duidelijkste plaatsen in het Nieuwe Testament zijn waar Jezus ‘God’ genoemd wordt. Bij gebruikers van de SV en de HSV is deze tekst dan ook geliefd rondom Kerst. Het is echter niet zo dat de TR/HSV altijd een variant heeft waarin de orthodoxe theologie explicieter is. Het kan namelijk ook andersom: terwijl in Johannes 1:18 de HSV ‘de eniggeboren Zoon’ heeft, is dit in de NBV ‘de enige Zoon, die zelf God is’.

Waren Jozef en Maria de vader en moeder van Jezus? Volgens de NBV wel, maar de HSV spreekt omzichtig over ‘Jozef en Zijn moeder’ (Lucas 2:33, 43). Deze verandering in de Griekse tekst heeft natuurlijk te maken met de maagdelijke geboorte, die in de geschiedenis van de theologie zo’n grote plaats heeft gekregen.

Een ander theologisch verschil tussen de NBV en de HSV betreft een ‘bewijstekst’ voor het leerstuk van de predestinatie. In de NBV staat in Handelingen 15:17-18: ‘… Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd.’ In de HSV lezen we echter: ‘… spreekt de Heere, Die dit alles doet. Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.’

Zeer bekend is het zogeheten comma Johanneum, dat een ‘bewijstekst’ zou zijn voor het leerstuk van de Drievuldigheid. De twee vertalingen luiden in 1 Johannes 5:7-8 als volgt:

HSV NBV
7 drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. 8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één. 7 Er zijn dus drie getuigen:

8 de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend.

Ook hier moet als extra saillant detail vermeld worden dat de versie van de HSV een verwaarloosbare basis in de Griekse handschriften heeft. Ook in de Byzantijnse tekst ontbreekt het comma Johanneum. De NBV maakt in een voetnoot melding van het comma Johanneum onder verwijzing naar ‘andere handschriften’. Dat is onvoldoende. De lezer moet erop gewezen worden dat deze variant geen enkele kans maakt op authenticiteit.4

Ook van een belangrijke tekst voor de traditionele Schriftleer bestaan verschillende versies. In 2 Petrus 1:21 staat dat de profeten gedreven werden door de heilige Geest. Profeten worden hier omschreven als respectievelijk ‘mensen die namens God spraken’ (NBV) en ‘heilige mensen van God’ (HSV). In deze laatste vertaling zijn de profeten dus op een vromere wijze aangeduid.

Openbaring

De TR staat bekend om de slechte kwaliteit van de tekst van het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes. Ik noem enkele verschillen die daardoor tussen de HSV en de NBV bestaan. Bij de bazuin van de vierde engel vliegt in de NBV een roepende adelaar voorbij (Openbaring 8:13), maar in de HSV is dat een roepende engel geworden. In Openbaring 21:24 staat over het hemelse Jeruzalem: ‘De volken zullen in haar licht leven’ (NBV). In de HSV is daar nog aan toegevoegd dat het volken betreft ‘die zalig zullen worden’. De NBV heeft in Openbaring 22:14: ‘Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen’ – wat los van de context een vreemde zaligspreking is. De HSV heeft hier: ‘Zalig zijn zij die Zijn geboden doen.’

Ten slotte zal volgens de HSV degene die iets afneemt van het boek, zijn deel worden afgenomen van het boek des levens (Openbaring 22:19). Volgens de NBV gaat het hier niet om het levensboek, maar om de levensboom. De verandering van boom naar boek heeft plaatsgevonden in de Latijnse overlevering en heeft geen enkele basis in de Griekse handschriften. Dat nu net dit vers een dergelijke, ongefundeerde tekstuele variant heeft, is beslist ironisch te noemen. Want het is juist dit vers dat door tegenstanders van de moderne tekstkritiek graag wordt aangehaald als argumentum ad baculum: ‘Wie de TR afvalt, valt onder de vloek van Openbaring 22:19.’5

Conclusie

Het zal de gemiddelde lezer die er geen gedetailleerde studie van maakt, niet meteen opvallen dat de NBV en de HSV zijn gebaseerd op verschillende brontekstedities. De verklaring hiervoor is allereerst dat de Griekse tekst van de Textus Receptus en van de moderne editie van Nestle-Aland voor het grootste deel identiek is. Wie door de vertaalverschillen heen kijkt en het geheel in ogenschouw neemt, kan moeilijk anders concluderen dan dat de NBV en de HSV vertalingen van in hoge mate dezelfde Griekse teksten zijn. Dat betekent niet dat de verschillen in de bronteksten er niet toe doen. Integendeel. Er zijn forse verschillen, zowel qua omvang als qua inhoud. Maar het is goed in het oog te houden dat we, ondanks alle verschillen, niet met een volslagen ander Nieuwe Testament te maken hebben.

De HSV bevat ten opzichte van de NBV harmonisaties, verduidelijkende en liturgische toevoegingen, theologische expliciteringen en ook vertalingen van tekstuele varianten die het resultaat zijn van onopzettelijke tekstcorruptie. De NBV biedt in al die gevallen de betere tekst. Wel zou de NBV in voetnoten bij belangrijke kwesties, zoals bij de extra tekst in Johannes 8, betere informatie moeten bieden over de status van de tekstvarianten.6

Al met al is de HSV de vertaling van een ‘verchristelijkte’ Griekse tekst. De TR, en daarmee de HSV, draagt de sporen van eeuwenlange christelijke overlevering, kerkelijk gebruik en achterhaalde tekstkritiek. Het hoeft geen betoog dat dit geen goede basis is voor de bestudering van de oorspronkelijke bedoeling van de bijbelschrijvers.

Waarom vasthouden aan de Textus Receptus?

De HSV claimt een vertaling of herziening te zijn die zo dicht mogelijk aansluit bij de grondtekst. Hierbij moet dus een zeer kritische kanttekening gemaakt worden: de HSV is niet gebaseerd op de oudst mogelijke Griekse tekst van het Nieuwe Testament, gezuiverd van eeuwenlange aanslibbing, maar op een Griekse tekst die pas vanaf de zestiende eeuw in het Westen gezaghebbend is geweest. Maar dit ligt gevoelig in de kringen waar de (Herziene) Statenvertaling gebruikt wordt. De voor deze kringen belangrijke belijdenisgeschriften en theologische werken maken gebruik van de Statenvertaling en beroepen zich niet zelden op teksten die juist in de moderne tekstkritiek als latere toevoegingen zijn geïdentificeerd. Dit betekent niet automatisch dat de reformatorische leer niet meer klopt als deze teksten wegvallen, maar het wordt wel ingewikkelder als men zich niet meer kan beroepen op die teksten die de leer zo duidelijk ondersteunen. Het geeft bovendien geen prettig gevoel als de tekst van de Bijbel niet zó vast staat als men dacht. Morrelen aan de tekst van de Bijbel wordt op dezelfde hoop gegooid als de zwaar verdachte moderne bijbelwetenschap.

Sommige geharnaste tegenstanders van moderne bijbelvertalingen halen graag een beproefd verwijt van stal: varianten op de vertrouwde tekst zouden in verband staan met ketterijen.7 Men brengt bijvoorbeeld de vermeende Alexandrijnse tekst van het Nieuwe Testament in verband met allerlei ketterijen die in Alexandrië geheerst zouden hebben. Moderne wetenschappers zouden die ketterijen weer willen introduceren. Zo wordt het vasthouden aan de traditionele vertalingen, en dus de TR, een kwestie van identiteit, en wordt het lastiger hierover een rationele discussie te voeren.

Er wordt veel misinformatie over tekstkritiek verspreid door Engelstalige fundamentalisten die aan de King James Version vast willen houden. Net als in het geval van creationisme heeft dit invloed op de Nederlandse discussie. Er is bovendien sprake van een onevenwichtig informatieaanbod. Omdat dit voor bepaalde groepen evangelicalen een aangelegen punt is, zijn zij goed ingevoerd in hun versie van de discussie over de tekst van het Nieuwe Testament. Vele websites waarschuwen tegen de gevaren van de moderne tekstkritiek. In de mainstream kerken is dit echter geen punt van discussie. Daardoor blijft de goede wetenschappelijke informatie voornamelijk beperkt tot wetenschappelijke publicaties en studieboeken. Hier ligt een uitdaging voor de wetenschappelijke tekstkritiek!

De commissie van de HSV heeft er niet voor gekozen een eigen visie op de Griekse tekst van het Nieuwe Testament te formuleren, maar om de gevoeligheden hieromtrent niet aan te raken. In het licht van het feit dat de HSV op zichzelf al zeer gevoelig ligt, en dat de mensen die de HSV toch al accepteerden vermoedelijk ook open zullen staan voor nieuwe tekstkritische inzichten, valt de vraag te stellen of dit een verstandig besluit is geweest. Hoe dan ook, de keuze voor de TR valt niet te rijmen met de claim de grondtekst nauwgezet te volgen. Binnen de reformatorische context kan de grondtekst immers moeilijk iets anders betekenen dan de beste benadering van de oorspronkelijke tekst.

In het beleidsplan van de HSV wordt er wel een legitimatie gezocht in de tekstkritiek: binnen de wetenschappelijke wereld zou er meer en meer waardering zijn voor de TR.8 Waar men dit precies op baseert, wordt niet duidelijk.9 Het is zeker zo dat de zogeheten Byzantijnse tekst (die niet hetzelfde is als de TR) tegenwoordig iets hoger wordt ingeschat dan vroeger het geval was. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de tweede editie van de Editio Critica Maior van de Katholieke brieven. Daarin heeft men alle Byzantijnse varianten nog eens nagelopen, omdat men tot het inzicht gekomen was dat dit teksttype meer oude varianten had bewaard dan eerder gedacht.10 Dit is een mooi voorbeeld van de werking van de hermeneutische cirkel en van methodische verfijning. Maar waar deze ontwikkeling op wijst, is dat de tekstkritiek steeds geavanceerder wordt, niet dat het Byzantijnse teksttype zelf weer op een voetstuk is gezet, laat staan de TR. Met andere woorden: deze recente ontwikkelingen vormen een reden te meer om NA28 als basis te nemen, en niet de TR.

Internet

Het standaardwerk dat de keuzes van de kritische tekst toelicht, is Bruce Metzgers A Textual Commentary on the Greek New Testament. Maar tegenwoordig is de eerste plek waar mensen informatie zoeken het internet. Er is veel informatie online beschikbaar, hoewel men moet oppassen met de betrouwbaarheid daarvan. Het is verstandig altijd de achtergrond van de maker(s) van een website te onderzoeken. Een overzicht van relevante websites is te vinden op de Resources-pagina van de weblog Evangelical Textual Criticism (evangelicaltextualcriticism.blogspot.com). Een uitgebreid, maar wel zeer technisch tekstueel commentaar is te vinden bij Wieland Willker, An Online Textual Commentary on the Greek Gospels (willker.de/wie/TCG). In het licht van het onderwerp van dit artikel is de website Bible Research (bible-researcher.com) interessant, omdat hier verschillen tussen de TR en verschillende kritische edities te vinden zijn. Nogmaals dient benadrukt te worden dat men de informatie op zulke websites niet blindelings kan vertrouwen. Het zou goed zijn als er een Nederlandstalige website zou komen die een toegankelijke uitleg geeft over de wetenschappelijke tekstkritiek van de Bijbel. Op dit moment is er niet veel meer dan Wikipedia.

Noten

1 Stefan van Dijk, ‘“Jullie weten dat Jezus het volk van Israël heeft gered uit Egypte.” De consequenties van een nieuwe editie van het Novum Testamentum Graece voor de Bijbel in Gewone Taal’ in: Met Andere Woorden 32/4 (2013), 20-30.

2 Zie hiervoor ook: Jan Krans, ‘De Herziene Statenvertaling en de grondtekst van het Nieuwe Testament’ in: Met Andere Woorden 29/4 (2010), 12-19.

3 Bron: http://www.bible-researcher.com/stats.html (geraadpleegd 23 december 2015).

4 Zie over deze tekst verder het artikel van Grantley McDonald, ‘Het Comma Johanneum en onze omgang met de geschiedenis van de bijbeltekst’ in: Met Andere Woorden 30/2 (2011) 10-21, en de dissertatie van dezelfde auteur (zie voetnoot 7).

5 Zie over deze tekst uitgebreider Jan Krans, ‘Erasmus and the Text of Revelation 22:19. A Critique of Thomas Holland’s Crowned With Glory’ in: TC. A Journal of Textual Criticism 16 (2011), http://rosetta.reltech.org/TC/v16/.

6 Zie hierover ook Jan Krans, ‘De Nieuwe Bijbelvertaling en de brontekst van het Nieuwe Testament,’ in: Klaas Spronk, Clazien Verheul, Lourens de Vries & Wim Weren (red.), De Bijbel Vertaald. De kunst van het kiezen bij het vertalen van de bijbelse geschriften, Zoetermeer 2007, 56-74.

7 Zie hierover zeer uitvoerig in het geval van het Comma Johanneum Grantley Robert McDonald, Raising the ghost of Arius. Erasmus, the Johannine comma and religious difference in early modern Europe (diss. Universiteit Leiden; Brussel 2011), https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/16486. Met name de epiloog op 297-310, ‘The Johannine comma and the claims of Evangelical Fundamentalism’, is in dit verband interessant.

8 Beleidsplan Stichting Herziene Statenvertaling, http://herzienestatenvertaling.nl/wp-content/uploads/2013/12/achtergronden.pdf.

9 In de Nederlandse context heeft J. van Bruggen gepleit voor herwaardering van de Byzantijnse tekst, zie J. van Bruggen, ‘De ballingschap van de Byzantijnse tekst’ in: In die Skriflig/In Luce Verbi 28/3 (1994), 413-428, http://www.indieskriflig.org.za/index.php/skriflig/article/view/1509.

10 Institut für neutestamentliche Textforschung (red.), Novum Testamentum Graecum. Editio Critica Maior. IV. Die katholischen Briefe, red. Barbara Aland e.a., dl. 1: Text (Stuttgart 20132),  11*-20*.

C. Hoogerwerf, MA, doet onderzoek naar vroegchristelijke exegese aan de Vrije Universiteit Amsterdam.