MAW artikelen

Welke plaats heeft de mens in de natuur?

In dit essay voor Met Andere Woorden, het vakblad over de Bijbel en vertalen, plaatst Jan Boersema onze omgang met de natuur in een bijbels licht. Hij formuleert een antwoord op de vraag naar de plaats van de mens in de natuur, specifiek in het licht van de heersers-teksten uit Genesis 1.

Dit artikel is gepubliceerd onder de titel “De mens is een bijzondere soort met een bijzondere verantwoordelijkheid” in: Met Andere Woorden 36/1 (mei 2017), pp. 21-26

De historicus Lynn White suggereerde in een artikel uit 1967 dat de christelijke mensvisie, gebaseerd op Genesis, de oorzaak was van de huidige milieucrisis.1 Tot op vandaag blijft dit een controversiële kwestie. Wat zeggen de teksten uit Genesis over onze plaats in de natuur? Wat is de doorwerking ervan geweest? En hoe moeten we verder?

De Bijbel, zei Lynn White, plaatste de mens boven de natuur. Dat bleek volgens hem uit het feit dat de eerste mens namen gaf aan de dieren (Genesis 2) en uit de heersers-terminologie in Genesis 1:26, 28. Zoiets zou egoïstisch gebruik rechtvaardigen en uitnodigen tot uitbuiting van de natuur.

White’s these veroorzaakte een lawine aan reacties. Er was veel kritiek. Hij zou de Genesis-teksten verkeerd lezen. Het zou daar veel meer over ‘dienen’ en ‘zorgen’ gaan dan over ‘heersen’ en ‘onderwerpen’. De mens wordt op dezelfde dag als de dieren geschapen en is dus niet boven ze geplaatst. Anderen verdedigden White. Op basis van eerder werk wil ik in dit artikel mijn positie in dit debat schetsen. 2

Geen vrijbrief voor uitbuiting

Laten we beginnen met de specifieke terminologie. Die wijst niet in de richting van gelijkheid tussen het geschapene (zie kader). De gebruikte woorden – masjal, radah, en kavasj – hebben elders in de Bijbel een harde klank. Er lijkt wel degelijk een speciale positie voor de mens te zijn.

Om deze terminologische analyse te kunnen duiden, is het wel noodzakelijk ook de context recht te doen. Het eerste scheppingsverhaal schetst de mens als vegetarisch (Genesis 1:29). Niet alleen de mens, maar ook de dieren worden gezegend (Genesis 1:22). Bovendien zijn mens en dier volgens het tweede verhaal uit hetzelfde materiaal ontstaan (Genesis 2:7, 19). De naamgeving van de dieren in Genesis 2 staat in het teken van de partnerkeuze van de mens. Uiteindelijk voldoen de dieren als partner niet, maar als we het verhaal serieus nemen zijn ze kennelijk wel kandidaat. Het is moeilijk vol te houden dat hier de deur wordt opengezet voor uitbuiting van de dieren of de aarde. Integendeel, er worden harmonieuze en geweldloze relaties geschetst waarin ieder schepsel zijn domein, positie en rol heeft. Alleen man en vrouw zijn naar Gods beeld geschapen (Genesis 1:27) en alleen de mens moet in de tuin aan het werk om die te bewerken en te bewaren (Genesis 2:15). Daarmee is niet alleen de speciale positie, maar ook de verantwoordelijkheid van de mens een gegeven.

Bestudering van de wijze waarop deze teksten in de traditie zijn uitgelegd en hebben gewerkt, laat bovendien zien dat de heersers-teksten uit Genesis in de eeuwenlange geschiedenis van het christendom nauwelijks een rol hebben gespeeld ter rechtvaardiging van natuuruitbuiting. Er werd in preken, geschriften en verhalen zelden aan gerefereerd om de dominantie van de mens religieus te funderen.

Maar hoe zit het dan met dat overduidelijke natuur-onvriendelijke gedrag in ons christelijk-humanistische verleden (en heden)? Stond dat los van de manier waarop de Bijbel werd gelezen? Nee dat stond het zeker niet, maar om daar zicht op te krijgen moeten we verder kijken dan Genesis 1 en 2.

De twee gezichten van de natuur

De beslissende wending in Genesis 3 is de verdrijving uit de tuin en het verloren gaan van de oorspronkelijke harmonie in de schepping. De ‘gevallen’ mens kwam hierdoor terecht in een wereld waarin de ‘natuurlijke’ processen er heel anders uitzagen. Kinderen krijgen werd smartelijk. De aarde werd weerbarstig om te bewerken. Er kwamen doornen en distels op in plaats van graan. Er vloeide bloed tussen mensen en tussen mens en dier. Over en weer ontstond angst, zo lezen we in Genesis 9. De natuur – een term die we overigens zo niet in de Bijbel aantreffen – krijgt twee gezichten. In het Oude Testament was hierdoor enerzijds sprake van een wereld die de mens tot zijn thuis kon maken, waar de mens in redelijke vrede en harmonie kon leven onder zijn eigen vijgenboom, met z’n eigen wijngaard en zijn eigen graanakker, en met vee dat deel uitmaakt van de sabbat-wetgeving (zie bijv. Exodus 20:10). Dit kwam in de buurt van de paradijselijke harmonie. Anderzijds was er een wereld die trekken had van chaos, van wildheid, van diepe wateren, onherbergzame woestijnen en droogte. Die wilde kant van de natuur dwong weliswaar respect af: de mens voelde bewondering voor de leliën van het veld, en ontzag voor de leeuw als koning van de dieren. Maar ze was vaak gevaarlijk en onbarmhartig voor de mens en kon als straf ingezet worden. Als je je niet aan Gods wetten hield dan konden de oogsten mislukken en kon droogte je deel zijn. Die wilde natuur moest op afstand gehouden worden en waar mogelijk getemd en ‘in cultuur’ gebracht.

Deze tweedeling van de natuur – enerzijds vriendelijk, anderzijds bedreigend – is de afgelopen eeuwen heel fundamenteel geweest. Dat verklaart het verlangen naar de verloren gegane paradijselijke harmonie en de verheerlijking van het agrarische bestaan als iets dat het dichtst bij dat bijbelse ideaal kwam. Het verklaart ook het terugdringen en beheersen van de wildernis. Vooral in en na de renaissance is dit als motief goed te traceren. Zo schreef de invloedrijke Engelse filosoof Francis Bacon (1561-1627), die als vader wordt gezien van de wetenschappelijke revolutie, aan het slot van zijn Novum Organum:

De mens verloor door de val zijn onschuld en zijn heerschappij over de schepping. Beide kunnen nog in dit leven gedeeltelijk worden hersteld. Het eerste door religie en geloof en het tweede door wetenschap en kunst. De schepping blijft hierdoor niet eeuwig een rebel, maar wordt door allerlei arbeid gedwongen om brood te produceren en de mens tot nut te zijn.3

Het heersen uit het begin van Genesis heeft hier een positieve klank en wordt vereenzelvigd met de manier waarop de agrariër omgaat met de natuur. Het terugdringen van de wildernis om er akkerbouw en veeteelt te bedrijven en er tuinen van te maken is in die gedachtegang geen natuurvernietiging, maar juist een herstel van de paradijselijke situatie.

Vooruitgangsdenken

Een ander heel krachtig idee dat in het Oude Testament en later in het christendom dominant is geworden, is volgens White de lineaire opvatting van de geschiedenis. Hier heeft hij volgens mij een kerngedachte van onze cultuur te pakken. We vinden in de Bijbel ook kringlopen, denk aan Prediker, maar het grote verhaal is doorgaand. De God van Israël begon met de wereld, ging met zijn volk mee en gaat ook naar een einde toe. Christenen hebben daardoor een verwachting van een eindtijd. Dat lineaire proces stond in behoorlijk contrast met het denken van veel volken om Israël heen, die meer circulair dachten, in termen van opgaan, blinken en verzinken en de herhaling van de geschiedenis. Als iets lineair is, als iets richting heeft, dan is het heden anders dan het verleden. En als de toekomst anders kan zijn dan het heden, dan kan die ook beter zijn dan het heden. Het lineaire denken is een enorme impuls geweest om aan een betere wereld te werken. ‘Als de toekomst beter kan zijn, hebben wij de morele plicht om daar aan te werken’ schreef een Amerikaanse president in zijn biografie.4 Dat geeft een enorme dynamiek aan een samenleving. Het vooruitgangsdenken van de Verlichting is geënt op dat lineaire idee. Zonder dat heeft vooruitgangsdenken ook niet zoveel zin. Toen door de opkomende wetenschap en de mechanisatie mensen in staat waren om vooruitgang te creëren, heeft dat tot enorme terugdringing van de natuur geleid. Uit ideologische teksten uit die tijd blijkt dat men het heel normaal vond dat je de wildernis terugdrong. Dat was niet alleen nodig om land te creëren voor granen en veeteelt of meer hout te hebben voor schepen, maar het terugdringen van het wilde was als zodanig ook een daad van beschaving. Het droogleggen van moerassen was civilisatie, vaak ook in combinatie met het civiliseren van de ‘barbaren’ die in die moerassen leefden.

Zo blijkt uit door mij bestudeerde memoires van Nederlandse kolonisten die in het midden van de negentiende eeuw naar Amerika zijn gegaan en die voor een deel in echte wildernis terecht zijn gekomen, dat het terugdringen daarvan werd gezien als een vorm van beschaving. Daar schreven zij in oudtestamentische termen over naar het thuisfront: ‘The Wilderness has been made to Blossom.’ We hebben de prairie bewerkt ‘zodat ze haar verborgen schatten prijs kon geven’. En wat waren die schatten? Graan! Brood!5

Dat er hele kuddes bizons en complete indianenstammen verdwenen, werd niet direct problematisch gevonden. Het wilde moest teruggedrongen worden, want dat was chaos en ongecultiveerd. Daar moest mais en fruit voor terugkomen. Dat was vooruitgang.

Het verlangen naar de agrarische, paradijselijke natuur vormde met het vooruitgangsgeloof een krachtig duo waardoor heel veel (wilde) natuur verdwenen is. Helaas is daar lang niet allemaal graan voor in de plaats gekomen of mooie landschappen en tuinen. Integendeel, er zijn ecosystemen vernietigd zonder reden en beesten zinloos neergeknald. In het terugdringen van de natuur zijn we verschrikkelijk doorgeschoten. In de grootschalige industriële wijze waarop we landbouw bedrijven en dieren houden overigens ook. Daar valt weinig paradijselijks in te herkennen. Natuurlijk moeten we de hongerigen voeden, maar we hebben een verspillend soort welvaart gecreëerd, die teveel produceert en het verkeerd verdeelt.

Hoe verder?

De speciale positie van de mens betekent niet dat de natuur alleen maar waarde heeft in zoverre het ook waarde of betekenis heeft voor de mens. Dat een wilde boom die geen vruchten voortbrengt lager gewaardeerd wordt dan een boom die wel vruchten voortbrengt, terwijl die weer lager gewaardeerd wordt dan een boom die eetbare vruchten heeft voor de mens. Zo’n hiërarchische waarderingsladder is een gedachte uit het Griekse denken. Filosofen als Aristoteles brachten een orde aan in de kosmos, met helemaal bovenaan de man en daarna de vrouw en dan barbaren die geen Grieks spraken. En zo ging dat door. En daarvan kun je zeggen: dat is nou net niet bijbels. Dat iets alleen maar van waarde is als het ook waarde heeft voor de mens, wordt weersproken in het Oude Testament. Daar tref je aan dat God een verbond sluit met al wat leeft. De mens staat daar buiten en dat was ook nodig want de dieren waren bang voor de mens: de schepping had en heeft bescherming nodig. Je vindt dat terug in Genesis 9, waar God maar liefst zeven keer zegt dat hij een verbond sluit met alles wat leeft. Ook het feit dat de schepping Gods lof zingt, laat zien dat niet altijd alles via de mens loopt. Dit inzicht zou ons van pas kunnen komen bij de discussies over biodiversiteit. Die moeten niet alleen gevoerd worden vanuit het nuttigheidsdenken. De vraag wat de biodiversiteit voor ons oplevert, heeft geleid tot het moderne idee van ‘ecosystem services’. Daarbij worden de diensten die de natuur aan de mens levert becijferd en waar mogelijk in geld uitgedrukt. Mijns inziens loopt die benadering tegen grenzen aan. Niet alles heeft nut voor de mens en dat hoeft ook helemaal niet.

De wetgeving in het Oude Testament laat zien dat we goed moeten zorgen voor hetgeen ons is toevertrouwd: de akker, het vee en de wijngaard. De spijswetten vervulden hier een regulerende en verwijzende rol. Ze maken duidelijk dat het doden en opeten van dieren niet bij het scheppingsideaal hoort en alleen beperkt is toegestaan. Elders heb ik betoogd dat het een goede zaak zou zijn als christenen de band tussen voeding en levensbeschouwing weer zouden herstellen en zichtbaar maken.6

Niemand verlangt terug naar situaties waarin de onvriendelijke kant van de natuur ons bestaan bedreigt. Ook de mensen die de ‘nieuwe wildernis’ omarmen, willen wel veiligheid voor de mens. Het in cultuur brengen van de aarde heeft ons veel reële vooruitgang gebracht. Maar we moeten wel naar een nieuw soort evenwicht toe, waarbij we ook de wilde natuur een volwaardige plek op aarde gunnen en geven en de aarde niet al te veel belasten wat betreft het gebruik van energie en grondstoffen. Dat vraagt een zekere terughoudendheid en omschakeling naar een ander type economie.7

Taak voor de theologie

Die andere omgang met het natuurlijk milieu, met energie- en grondstofverbruik moet wortelen in onze levensbeschouwing, anders is het op termijn gedoemd om weer te verdwijnen. Hier ligt een taak voor de theologie, want dat is bij uitstek de voeder van een levensbeschouwing. Dat begint met goed analyseren waarom het in het verleden zo is gelopen. Ook moeten we erkennen dat er sprake is van ernstig doorschieten. Aan de andere kant moeten we ook de elementen die in onze eigen religieuze traditie zitten, die waardevol zijn, opnieuw doordenken en betekenis geven voor vandaag de dag. Voor een leven dat groener is, maar ook religieus rijker wordt voor ons.

Prof. dr. J.J. Boersema is hoogleraar Grondslagen van de milieuwetenschappen aan de Universiteit Leiden.

Fotocredits: Peter Beemsterboer


Heersers-terminologie in Genesis 1

In Genesis 1 staan drie werkwoorden die in de NBG-vertaling 1951 met heersen of onderwerpen zijn vertaald. Alle drie komen ze –met wisselende vertalingen – ook elders in de grondtekst voor.

  • Masjal komen we in Genesis 1:16 tegen om aan te geven dat het grootste licht (de zon) is aangesteld om te heersen over de dag en het kleinere (de maan) over de nacht. Het wordt elders in de Bijbel ook voor de mens gebruikt, bijvoorbeeld in Psalm 8:7: ‘Gij doet hem heersen over de werken uwer handen’.
  • Radah dat in Genesis 1:26 en 28 wordt gebruikt, komt in totaal twintig keer in de Bijbel Alleen in Genesis wordt het gebruikt om de relatie mens-dier mee te typeren, elders gaat het om relaties tussen mensen. Het wijst op een hiërarchische verhouding, met als grondbetekenissen ‘leiden’ en ‘onder de voet brengen’.
  • Kavasj wordt in Genesis 1:28 gebruikt en daar vertaald als ‘onderwerpen’ (van de aarde). Het komt dertien keer voor. Het object van onderwerping is divers maar altijd is sprake van macht.

De moderne suggestie dat ‘heersen’ in Genesis eigenlijk ‘dienen’ is, vindt bij een vergelijkende analyse weinig steun. Al deze teksten duiden een hiërarchische relatie aan, waarbij het in Genesis 1 – zo wijst de context uit – een hiërarchische verhouding zonder geweld of uitbuiting betreft.8


Noten

1          Lynn White, ‘The historical roots of our ecologic crisis’ in: Science 155 (1967), 1203-1207.

2          Ik heb voor dit artikel o.a. gebruik gemaakt van mijn studie Thora en Stoa over mens en natuur. Een bijdrage aan het milieudebat over duurzaamheid en kwaliteit, Baarn 1997, en van mijn artikel in de Groene Bijbel, geschreven i.s.m. Theanne Boer.

3          Francis Bacon Novum Organum 2.52. Beschikbaar online (http://oll.libertyfund.org/titles/bacon-novum-organum). Eigen vertaling.

4          Bill Clinton, My Life, New York 2004, 78. Hij schrijft dat hij dit adagium heeft overgenomen van zijn leermeester Prof. Caroll Quigley.

5          Zie Jan J. Boersema & Anthonia Boersema-Bremmer, ‘“The Wilderness has been made to Blossom.” Nineteenth-Century Dutch Immigrants and the Natural World’ in: Henk Aay, Dennis Voskuil & Janny Venema (eds.), Proceedings of the AADAS conference held in Albany, September 2015 (2017; in druk).

6          Jan J. Boersema ‘De duurzaamheid van onze eetcultuur en het goede leven’ in: Johan De Tavenier (red.) Ons dagelijks brood. Over oude en nieuwe spijswetten, Leuven/Voorburg 2010, 17-38.

7          Zie hiervoor: Jan J. Boersema, ‘Vooruit om in het Holoceen te blijven. Over kwaliteit en de principes van duurzaamheid’ in: Radix 42:3 (2016), 190-202.

8          Zie hiervoor Boersema Thora en Stoa over mens en natuur, 67-75.