MAW artikelen

Knippen, plakken en schrijven in de Liesveltbijbel

Nog niet eerder werd onderzoek gedaan naar de lezers van de Liesveltbijbel, de eerste Nederlandse vertaling van de complete Bijbel. Welke ‘gebruikssporen’ treffen we aan in de gedrukte exemplaren van deze bijbel? Het blijkt dat sommige lezers zelfs de vertaling ‘verbeterden’ met knip- en plakwerk. Wat zegt dit over de bijbellezers van toen?

In het spoor van vroegmoderne bijbellezers

Renske Hoff

Er is behoorlijk wat onderzoek gedaan naar de zestiende-eeuwse bijbels van de Antwerpse drukker Jacob van Liesvelt. Dat onderzoek is echter vrijwel uitsluitend gericht op de kenmerken van de druk en de uitgave, waarbij het type bijbelvertaling of de bronnen van het commentaar in de marges centraal stonden. Momenteel loopt er een studie die zich op een ander aspect van de boekgeschiedenis richt: de lezers en het gebruik van deze bijbels. Door overgeleverde exemplaren van Liesveltbijbels uit de periode 1522-1546 te bestuderen op gebruiks- en lezerssporen wordt geprobeerd inzicht te krijgen in de wijze waarop deze bijbels in de zestiende-eeuwse Nederlanden functioneerden. Dit artikel behandelt de diversiteit aan lezerssporen die in 118 exemplaren gevonden zijn en trekt enkele voorlopige conclusies met betrekking tot de bijbelleescultuur in de vroegmoderne tijd.

‘Een tekst die ongelezen blijft, is op zijn hoogst een materieel gegeven, een blad papier met letters, maar nog zonder betekenis,’ constateert Harald Hendrix in het literatuurwetenschappelijk handboek Het leven van teksten.1 Dit inzicht, dat in literatuurstudies gemeengoed geworden is sinds Roland Barthes’ essay ‘La mort de l’auteur’ (1968), is ook steeds belangrijker in het boekhistorisch onderzoek. Als de betekenis en werking van een tekst of boek zo afhankelijk is van de lezers, zal in het onderzoek naar de historische tekstcultuur ook het aspect van het gebruik en de lezers betrokken moeten worden. Het onderzoeksproject ‘In de handen van lezers: vroegmoderne Nederlandse bijbels vanuit een gebruiksperspectief’ (2017-2021) past dit inzicht toe op de studie van zestiende-eeuwse, volkstalige bijbels. Binnen dit project worden theologische en cultuurhistorische benaderingen gecombineerd, om inzicht te krijgen in de praktijk van het lezen en het gebruik van vroegmoderne bijbels, en in de confessionele, persoonlijke en historische achtergronden van lezers.2

Eerder onderzoek

Er is relatief veel onderzoek gedaan naar vroegmoderne Nederlandstalige bijbeldrukken, en in het bijzonder naar de bijbels van de Antwerpse drukker Jacob van Liesvelt. Eerder onderzoek was echter vrijwel uitsluitend gericht op de kenmerken van de diverse edities die Liesvelt uitgaf, en betrof kwesties als de gebruikte vertaling, de bronnen van het commentaar of censuur. In het huidige onderzoek hebben de centrale vragen betrekking op lezers en gebruik.3 Aan de hand van een analyse van gebruiks- en lezerssporen in de boeken wordt gereconstrueerd hoe lezers door hun bijbel heen ‘navigeerden’ – bijvoorbeeld in welke volgorde ze de diverse bijbelboeken lazen, hoe ze reageerden op de confessionele kleuring van de bijbelvertaling waarmee ze in aanraking kwamen, en hoe ze omgingen met het paratekstuele materiaal dat steeds vaker in de edities aangeboden werd, zoals prologen, leesroosters, kaarten en commentaar in de marge.

Dit artikel bespreekt welke verschillende typen lezerssporen zoal in 118 Nederlandstalige bijbelexemplaren van Jacob van Liesvelt gevonden zijn. Daarnaast wordt besproken welke voorlopige conclusies er op basis van dergelijke sporen te trekken zijn met betrekking tot het gebruik van vroegmoderne, Nederlandstalige bijbels. Ter illustratie zullen enkele opvallende lezerssporen in bijbelexemplaren uit diverse Nederlandse bibliotheken uitgelicht worden.

Onderzoekscorpus

Het corpus van het onderzoeksproject beslaat alle bekende, overgeleverde exemplaren van de twintig bijbeledities die tussen 1522 en 1546 door Jacob van Liesvelt gedrukt zijn. In 1522 verschijnt Liesvelts eerste druk van de evangeliën, vier jaar voordat hij een eerste integrale Nederlandstalige bijbel op de markt brengt, waarin zowel het Oude als het Nieuwe Testament en de apocriefen zijn opgenomen. In 1546, een jaar na de terdoodveroordeling en onthoofding van Liesvelt, wordt de eerste editie van de Leuvense Index gepresenteerd. Na het verschijnen van deze index van verboden boeken, waarin diverse edities van Liesvelt staan opgenomen, wordt de controle van de kerkelijke autoriteiten op Nederlandstalige bijbeldrukken concreter en intensiever.

In totaal betreft het onderzoek (tot nu toe) 118 overgeleverde exemplaren van bijbels (complete bijbels alsook los uitgegeven Nieuwe Testamenten of brieven en evangeliën) die in deze tijdsperiode door Liesvelt zijn gedrukt.4 Dit corpus is in eerste instantie gebaseerd op de exemplaren die zijn opgenomen in de door August den Hollander en anderen opgestelde database BibliaSacra.5 Deze lijst is echter aangevuld met een significant aantal exemplaren dat tot dusver onbekend was, bijvoorbeeld omdat ze in het bezit zijn van bibliotheken met een moeilijk toegankelijke catalogus, of omdat ze in privébezit zijn. De zoektocht naar exemplaren blijft gaande, en met enige regelmaat verschijnen er relevante exemplaren op boekenveilingen, die dan – indien mogelijk – aan het onderzoekscorpus worden toegevoegd.

Een veelheid aan sporen

In de onderzochte exemplaren zijn diverse typen lezers- en gebruikssporen terug te vinden, die op verschillende wijzen inzicht kunnen bieden in het lezersschap en de leespraktijk van deze vroegmoderne bijbels. Voorlopige analyses laten zien dat een ruime meerderheid, pakweg 75 procent, van de onderzochte vroegmoderne bijbels een vorm van vroegmoderne lezers- of gebruikssporen bevat.6 Deze sporen lopen sterk uiteen in frequentie, type en inhoud: van een roestige afdruk van een sleutel (exemplaar 1708 A 11, KB Den Haag; zie afbeelding 1) tot en met uitgebreide genealogieën (zoals in exemplaar ABM p.i. 120 – 73 F 9, Museum Catharijneconvent Utrecht; zie afbeelding 2). Grofweg kunnen deze sporen in twee typen worden onderverdeeld: sporen die betrekking hebben op de identiteit van de eigenaar of lezer, en sporen die betrekking hebben op de praktijk van het lezen of het gebruik van het boek zelf.

Afbeelding 1: Sleutelafdruk in het liturgisch leesschema © Koninklijke Bibliotheek,nr. 1708 A 11 (Foto Renske Hoff)

Afbeelding 2: Genealogische aantekeningen naast het colofon. © Museum Catharijneconvent Utrecht (ABM p.i. 120 – 73 F 9)

 

Sporen die informatie bieden over de identiteit van de lezer of bezitter van de bijbel zijn onder andere ex librissen, bibliotheekstempels, namen, handtekeningen, eigendomsfrasen (zoals ‘Desen Boeck hoort toe Peeter Valck’, UB Gent Acc. 33490) en genealogieën of familiegeschiedenissen. Deze eigendomssporen zijn soms eigentijds, maar bestrijken ook de eeuwen na de uitgave van deze bijbels. In sommige gevallen is aan de hand van eigendomssporen de identiteit van de bezitter of lezer vast te stellen, en kunnen gegevens over hem of haar in archiefmateriaal teruggevonden worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het exemplaar van Liesvelts bijbel uit 1534 dat momenteel in bezit is van Huis Bergh te ’s-Heerenberg (Inv. nr. 327). Uit aantekeningen op verschillende plaatsen in het exemplaar blijkt dat het boek rond het jaar 1600 in het bezit was van de Amsterdamse Trijn Claesdochter, die getrouwd was met Jan Cornelis (zie afbeelding 3). In de Amsterdamse Doop-, Trouw- en Begraafboeken is haar huwelijk terug te vinden: Trijn Claesdochter, dochter van Claes Pietersz. en Lijsbert Jansd., trouwde op 4 juli 1592 op zeventienjarige leeftijd in Amsterdam met haar vierentwintigjarige bruidegom Jan Corneliszoon, die op dat moment op de Nieuwezijds Achterburgwal woonde.7

Dergelijke eigendomskenmerken maken het mogelijk een beeld te krijgen van de sociaal-economische, geografische en temporaire spreiding van het lezerspubliek van Liesvelts bijbels. Een eigendomsspoor als dat van Trijn Claesdochter spreekt eveneens het vooroordeel tegen dat het vroegmoderne bijbellezen en bijbelbezit uitsluitend voorbehouden zou zijn aan mannelijke lezers.

Afbeelding 3: Naam van Trijn Claesdochter in de bovenmarge van Wijsheid 8. © Huis Bergh, ’s-Heerenberg, Inv..nr.32 (Foto Renske Hoff)

 Het spectrum aan sporen dat inzicht biedt in leespraktijken is wellicht nog gevarieerder. Veelvoorkomend zijn markeringen, zoals onderstrepingen, maniculi (wijzende handjes) en accolades, inkleuringen of rubricaties (verfraaiing met rode inkt), ingevoegd of juist verwijderd materiaal, correcties van de geprinte tekst, leeswijzertjes, en een grote variëteit aan aantekeningen in de marges of op de schutbladen, zoals liturgische aantekeningen, leesaanwijzingen of kruisverwijzingen. Deze lezerssporen laten niet enkel zien welke bijbelpassages in het bijzonder respons opriepen, maar ook hoe lezers reageerden op diverse kenmerken van de editie, zoals confessionele kenmerken van de bijbelvertaling, het paratekstueel materiaal of de houtsneden.

Een reactie op de gebruikte vertaling van Liesvelts bijbels – die grotendeels gebaseerd is op Luthers bijbelvertalingen, zover als die reeds uitgegeven waren,8 – is te vinden in een exemplaar van de Bijbel uit 1535 uit de Theologische Faculteit van Tilburg (Inv. nr. TF PRE 10). In dit exemplaar zijn op diverse plaatsen briefjes met een nieuwe, minder hervormingsgezinde vertaling over de gedrukte tekst heen geplakt (zie afbeelding 4). Zo is in 1 Timoteüs 4:14 ‘der ouderen’ veranderd in ‘des priesterschaps’, en is verschillende keren ‘de gemeynte’ aangepast naar ‘de kercke’. Bijzonder is dat deze aanpassingen zodanig secuur zijn verricht, dat ze in eerste instantie vrijwel niet opvallen. Niet alleen heeft de gebruiker de tekst voor zijn aanpassingen geknipt uit een bijbel met een vrijwel gelijke letter, ook zijn deze briefjes van precies het juiste formaat om de tekst te bedekken, maar niet de regel boven of onder de tekst te raken. Daarnaast is de nieuwe tekst exact in lijn met de rest van de tekst opgeplakt. Deze zorgvuldigheid lijkt het belang van de vertaling voor de gebruiker te suggereren. Door de vertaling van de Liesveltbijbel aan te passen sluit het exemplaar beter aan bij de wensen van diens lezer.

Afbeelding 4: Opgeplakte aanpassing naar ‘des Priesterschaps’ in 1 Timoteüs 4:14. © Theologische Faculteit Universiteit Tilburg, TF PRE 10 (Foto Ad van Pinxteren)

In andere gevallen wordt door middel van uitgebreide markeringen een leesspoor achtergelaten. Dit spoor kan bij zorgvuldige analyse niet alleen inzicht bieden in de mogelijke interesses van de lezer die de markeringen achterliet, maar zal ook volgende lezers beïnvloed hebben in hun benadering van het boek. Een voorbeeld zijn de bijna honderd maniculi (wijzende handjes) die, waarschijnlijk door verschillende lezers, in de marges van een exemplaar van Liesvelts eerste bijbel uit 1542 (hij drukte dat jaar twee edities) uit Utrecht (Universiteitsbibliotheek Utrecht, 106 F 3) zijn achtergelaten. Hoewel deze hoeveelheid markeringen niet per definitie uitzonderlijk is, is de precisie waarmee de meeste maniculi in dit exemplaar getekend zijn dat wel. De handjes zijn vaak gedetailleerd en relatief groot (zie afbeelding 5). Wanneer een volgende lezer met het exemplaar in aanraking kwam, zal hij of zij moeilijk de maniculi hebben kunnen negeren. Deze wijzende handjes springen in het oog en trekken de aandacht naar de desbetreffende passage. In zekere zin kan gezegd worden dat gebruikers elementen hebben toegevoegd aan het gedrukte paratekstuele materiaal, dat naast marginaal commentaar ook gedrukte maniculi bevat. Samen beïnvloeden deze elementen welke passages het eerste opvallen, en zo sturen ze de wijze waarop de lezer door het boek en over de pagina’s heen beweegt.

Afbeelding 5: Maniculus bij Wijsheid 11:16-17. © Universiteitsbibliotheek Utrecht, 106 F 3. (Foto Renske Hoff)

Niet alleen door het aanpassen van de tekst of het plaatsen van markeringen en aantekeningen kan de leeswijze van het boek beïnvloed worden. Ook blijkt dat in diverse exemplaren extern materiaal in het bijbelexemplaar is ingebonden of tussen de pagina’s is gestoken. Hoewel het meestal lastig dan wel niet onmogelijk is om precies vast te stellen wanneer en door wie deze toevoegingen zijn geïnitieerd, kan het materiaal wel inzicht bieden in de wijze waarop het boek functioneerde. Een voorbeeld is een exemplaar uit 1542 in bibliotheek Tresoar te Leeuwarden (PBF 80 Gdg). In dit exemplaar zijn achterin twee kaarten ingevoegd die – in tegenstelling tot de kaart van de uittocht uit Egypte, ingevoegd bij Exodus – niet oorspronkelijk in de editie thuishoorden. De eerste kaart vertoont de ‘Peregrinatie Iesu Christi’ en geeft het gebied in en rondom het land Kanaän weer waarin Jezus Christus volgens het Nieuwe Testament rondgetrokken is (zie afbeelding 6). De tweede kaart, de ‘Peregrinatie der Apostelen. Ende tleuven Pauli’ geeft de rondreizen van de apostelen, in het bijzonder van Paulus, in het oostelijk Middellandse Zeegebied weer. Beide kaarten zijn vervaardigd door kaartenmaker Joannes van Deutecum in 1591, en zijn in diverse latere bijbeledities opgenomen, waaronder in een heruitgave van de Biestkensbijbel (oorspronkelijk gedrukt door Nicolaas Biestkens in 1560), uitgegeven onder het pseudoniem ‘Krijn Vermeulen’ in 1598.9 Deze kaarten illustreren niet enkel bijbelse verhalen, maar visualiseren ook levendig de beleving van de reizen van Jezus of de apostelen door een gedetailleerde weergave van steden, bergketens en routes. De opname van de Deutecumkaarten in de Liesveltbijbel getuigt van een lezer die belang hechtte aan de historische en geografische verdieping van de bijbeltekst die deze kaarten konden bieden.10 Ook volgende lezers worden door deze aanpassingen aangespoord om de tekst op onderzoekende wijze te beschouwen, en de reizen en plaatsen levendig te visualiseren.

Afbeelding 6: Ingebonden kaart ‘Perigrinatie Iesu Christi’ © Tresoar Leeuwarden, PBF 80 Gdg. (Foto Renske Hoff)

Voorlopige conclusies en vervolg van het onderzoek

De hoeveelheid en de inhoud van lezerssporen tussen exemplaren loopt weliswaar zeer uiteen, maar de analyse van de sporen in Liesveltbijbels getuigt van een actieve leespraktijk. De Liesveltbijbel was hierin geen statisch, uniform object maar een dynamisch, aan verandering onderhevig boek. De voorbeelden die in dit artikel worden aangehaald, onderstrepen dit. Lezers namen een actieve rol in in het gebruik en bezit van bijbels, en ze namen de vrijheid deze naar eigen believen aan te passen. Ze veranderden de vertaling, markeerden een spoor of ‘route’ door de tekst en voegden tekstuele of visuele elementen toe. De actieve lezer was als het ware in een voortdurende dialoog met het materiaal dat het boek aanbood.

In de resterende twee jaar van het onderzoeksproject ‘In de handen van lezers: vroegmoderne bijbels vanuit een gebruikersperspectief’ zullen de resultaten van de analyses van de vele bijbelexemplaren onder elkaar gezet worden. Door alle eigendoms- en leessporen in te voeren in een database, zullen uiteindelijk conclusies getrokken worden over het corpus als geheel. Er zal verder ingegaan worden op het precieze karakter van deze actieve, bijbelse leescultuur en op de samenstelling van het lezerspubliek van vroegmoderne bijbels. In het spoor van lezers wordt zo de wisselwerking tussen deze boeken en hun gebruikers beetje bij beetje meer zichtbaar.

 R.A. Hoff MA is promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze werkt met prof. dr. Sabrina Corbellini, prof. dr. Wim François en Bert Tops MA aan het onderzoeksproject ‘In de handen van lezers: vroegmoderne Nederlandse bijbels vanuit een gebruikersperspectief’.

Noten

 1   Harald Hendrix, ‘De lezer in de tekst’ in: Kiene Brillenbrug Wurth & Ann Rigney (red.), Het leven van teksten. Een inleiding tot de literatuurwetenschap, Amsterdam 2006, 199-228; 201.

2    Het onderzoeksproject ‘In de handen van lezers: vroegmoderne Nederlandse bijbels vanuit een gebruikersperspectief’ is een samenwerkingsproject tussen de Rijksuniversiteit Groningen en de Katholieke Universiteit Leuven, opgezet en begeleid door prof. dr. Sabrina Corbellini (RUG) en prof. dr. Wim François (KU Leuven). Het project wordt gefinancierd door de NWO en FWO en omvat de onderzoeksprojecten van twee promovendi. Renske Hoff (MA) focust op de bijbeledities van Jacob van Liesvelt en Hendrick Peetersen van Middelburch, Bert Tops (MA) onderzoekt de bijbeledities van WillemVorsterman.

3    Belangrijk werk met betrekking tot de bijbeledities van Jacob van Liesvelt is onder andere verricht door C.C. de Bruin (De Statenbijbel en zijn voorgangers. Nederlandse bijbelvertalingen vanaf de Reformatie tot 1637, herdruk bewerkt door F.G.M. Broeyer, Haarlem/Brussel 1993), August den Hollander (o.a. De Nederlandse Bijbelvertalingen 1522-1545, Nieuwkoop 1997) en Wim François (o.a. Bijbelvertalingen in de lage landen [1477-1553]. Een kerkhistorische en theologische benadering, Leuven 2004).

4    Ook de druk die onder de naam van Hansken van Liesvelt tijdens Jacob van Liesvelts gevangenschap in 1538 gepubliceerd is, is in het corpus meegenomen. Hoewel de naam en het drukkersmerk van Jacob van Liesvelt in deze editie ontbreken, is de druk uitgegeven in zijn werkplaats en komt deze sterk overeen met eerdere drukken. Zie De Bruin, 96 en François, 262.

5             http://bibliasacra.nl (bezocht op 27 augustus 2019).

6    Dit percentage is gebaseerd op een voorlopige analyse van 77 exemplaren van bijbels van Van Liesvelt. Exemplaren waarin enkel bibliotheekstempels of recente aantekeningen van bibliothecarissen te vinden zijn, zijn in deze berekening als zonder sporen beschouwd.

7    Zie 5001: Archief van de Burgerlijke Stand: doop-, trouw- en begraafboeken van Amsterdam (retroacta van de Burgerlijke Stand) 406, 201.

8             Zie François, 259.

9    Zie Paul Valkema Blouw, ‘Mennonitica en bibliografisch onderzoek’ in: Theologie in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Bijdragen over de collecties en verwante verzamelingen alsmede Doopsgezinde Adversaria verschenen bij het afscheid van dr. Simon L. Verheus als conservator van de kerkelijke collecties, Amsterdam 1985, 138-148. Zie ook C. Delano-Smith & E. Morley Ingram, Maps in Bibles 1500-1600, Genève 1991, nr. 5.5 en 6.5.

10 Deze interesse past in de ontwikkeling van het vakgebied van de geographia sacra, een systematische studie van bijbelse en kerkelijke geografie, gedurende de zestiende en de zeventiende eeuw. In toenemende mate verschenen gedetailleerde kaarten van onder andere het Heilig Land of Jeruzalem voor een breed ‘cartografisch geletterd’ publiek. Zie Zur Shalev, ‘Early Modern Geographia Sacra in the Context of Early Modern Scholarship’ in: Kevin Killeen e.a. (eds.), The Oxford Handbook of the Bible in Early Modern England, c. 1530-1700, Oxford 2015, 196-208. Zie ook Delano-Smith & E. Morley Ingram, xxiv.